'Geen verkiezing en niet Europees'

Bij de Europese verkiezingen, die vandaag en zondag worden gehouden, toetst de kiezer geen regeringen. En als graadmeter voor de nationale politiek zijn ze niet betrouwbaar. Maar toch zijn ze belangrijk, vindt de Amsterdamse politicoloog CEES VAN DER EIJK.

AMSTERDAM, 9 JUNI. Het ritueel van de Europese verkiezingen is gelijk aan dat van andere verkiezingen, zegt Cees van der Eijk, hoogleraar politicologie aan de Universiteit van Amsterdam. Maar bij echte verkiezingen moeten de kiezers de mogelijkheid hebben om degenen die het verprutst hebben eruit te schoppen en degenen in wie zij vertrouwen hebben voor de komende jaren met macht te bekleden.

“De Europese verkiezingen bepalen niet de samenstelling van een uitvoerende macht”, aldus Van der Eijk. “In de Europese Unie gaat het in veel opzichten niet om een politieke strijd tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie, maar veeleer tussen Parlement en Commissie enerzijds versus de Raad van Ministers aan de andere kant. Over de Raad van Ministers spreken de Europese kiezers zich op geen enkele manier uit. Daarom zijn de Europese verkiezingen niet echt.

“De verkiezingen zijn ook niet Europees. Want het stemgedrag wordt grotendeels bepaald door de nationale politieke context en nauwelijks door wensen over de koers van Europa. De Europese verkiezingen zijn niet meer dan tweederangs nationale verkiezingen, vergelijkbaar met verkiezingen voor Provinciale Staten.”

Wat is dan wel het belang van de Europese verkiezingen?

“Ze zijn vooral van belang voor de nationale politiek, omdat verkiezingen door hun officiële en onpartijdige karakter een andere status hebben dan opiniepeilingen, zelfs als er een lage opkomst is. Politici en partijen handelen daarnaar. In 1989 zijn de Europese verkiezingen in Spanje heel bewust gebruikt als graadmeter voor de landelijke politieke krachtsverhoudingen, waarbij premier Felipe González de mogelijkheid openhield om al dan niet vervroegde nationale verkiezingen uit te schrijven. Toen hij naar aanleiding van de Europese verkiezingen dacht dat dat wel haalbaar was, heeft hij dat ook onmiddellijk gedaan.”

Had González die beslissing niet net zo goed kunnen nemen op basis van opiniepeilingen?

“Misschien zou dat zelfs een betere basis zijn. Politici en partijen gebruiken tweederangs verkiezingen als graadmeter. Maar het is een graadmeter die weliswaar heel betrouwbaar lijkt, maar om een aantal redenen heel erg misleidend is. Men gaat ervan uit dat wanneer je Europese verkiezingen tegelijk zou houden met nationale verkiezingen je dezelfde uitslag zou krijgen, los van eventuele effecten van een lagere opkomst. Die gedachte ligt voor de hand, maar is onjuist.

“In Luxemburg, waar in 1989 beide verkiezingen samenvielen, zag je dat de uitslagen voor een partij die zowel aan de nationale als de Europese verkiezingen meedeed wel drie procent uit elkaar liepen. De opkomst was gelijk, daar zat het niet in. In 1979 liepen die verschillen in een geval op tot ruim zes procent. Maar het kan nog krasser: in Portugal haalde een partij bij de nationale verkiezingen vier procent, en op dezelfde dag, in hetzelfde stemhokje, bij de Europese verkiezingen vijftien procent. In Ierland bedroeg het grootste verschil voor een partij - Fianna Fáil - in 1989 bijna dertien procent. Bij de partij Fine Gael zit er bijna acht procent verschil tussen.”

Dus het zijn wèl echte Europese verkiezingen?

“Nee, de oorzaak voor het verschil van dertien procent bij Fianna Fáil tussen de twee uitslagen is niet dat men dacht: voor de Ierse politiek is dat een goede partij, maar voor Europa veel minder. Want ook de Ieren hadden, evenals de meeste andere Europeanen, geen flauw benul wat Fianna Fáil al dan niet gedaan heeft of zou doen op het gebied van Europees beleid. Dat betekent dat voor zover partijen uitslagen van zo'n verkiezing als de Europese verkiezing gebruiken als een soort tussentijdse graadmeter, ze het risico lopen behoorlijk op het verkeerde been gezet te worden.”

Waarom gedragen die kiezers zich dan zo?

“Bij nationale parlementsverkiezingen stemmen mensen met hun hoofd. Dat betekent dat mensen weliswaar afgaan op hun politieke voorkeur, maar daarbij in het achterhoofd houden wat voor machtsverhoudingen er naar alle waarschijnlijkheid zullen ontstaan. Dat leidt er soms toe dat men niet stemt op de partij waar men het meest achter staat, namelijk als die de nationale politieke verhoudingen nauwelijks kan beïnvloeden.

“Ze stemmen overigens niet op een partij waarvoor ze helemaal niets voelen, maar op hun tweede of derde keus. Bij Europese verkiezingen lijkt het alsof er geen macht op het spel staat. Er worden geen regeringen gevormd. Dat besef maakt het voor kiezers veel makkelijker om anders te stemmen, om niet met het hoofd te stemen, maar met het hart.”

Van der Eijk ziet een tweede reden waarom Europese verkiezingen van belang zijn voor de nationale politiek: ze zijn “een vroedvrouw die helpt bij de geboorte van nieuwe partijen”. Van der Eijk: “Europese verkiezingen bevorderen dat er soms nieuwe partijen op het toneel verschijnen en een doorbraak beleven, en dat die doorbraak vervolgens zijn eigen onomkeerbare effecten heeft op de nationale politiek in het desbetreffende land.

“De doorbraak van de Duitse Grünen in de Bondsdag zou naar alle waarschijnlijkheid niet hebben plaatsgevonden zonder de Europese verkiezingen van 1979. Hetzelfde geldt voor de doorbraak naar de nationale politiek van het Front National in Frankrijk in 1984, en voor de doorbraak op het niveau van heel Vlaanderen van het Vlaams Blok in 1989. Als een partij eenmaal doorbreekt, ook al is het bij Provinciale-Statenverkiezingen of bij Europese verkiezingen, geeft dit mogelijkheden om via de media kiezers te bereiken.

“Dat effect is overigens niet altijd blijvend. In 1989 haalden de Greens in Engeland 14,9 procent van de stemmen bij de Europese verkiezingen, terwijl ze bij eerdere nationale verkiezingen maar een paar procent haalden. Dat leidde er onmiddellijk toe dat in allerlei praatprogramma's voor de Britse televisie, waar traditioneel drie partijen aanzaten, nu een vierde man of vrouw werd uitgenodigd.

“Het heeft geen blijvend effect gehad. Een deel van de verklaring is dat de Greens buitengewoon slecht met deze mogelijkheid zijn omgegaan. In veel van die praatprogramma's zeiden ze dingen als 'daar hebben wij als Greens nog geen standpunt over'. Ze kwamen ook nog eens in interne twisten terecht over wie er op de televisie mocht en over of wat iemand daar te berde bracht wel overeenstemde met de partijlijn. Kortom, de toegenomen aandacht voor de Greens bracht hen in een staat van verwarring en soms ruzie, en dat werd uiteraard genadeloos afgestraft bij de volgende nationale verkiezingen.”

Er is nog een derde reden waarom Europese verkiezingen van belang zijn voor de nationale politiek: “Ze helpen soms bij het herstructureren van nationale partijstelsels.” “De Europese verkiezingen hebben aantoonbaar bijgedragen aan de vorming van Groen Links. Door het geringe aantal zetels dat er voor een land als Nederland is te verdelen, ontstaat een kiesdrempel van vier procent, hetgeen leidde tot lijstverbindingen, combinatielijsten en dergelijke.”

In Nederland ontstaat nu een paradoxale situatie. Bij de gemeenteraadsverkiezingen ging het om het protest, bij de Kamerverkiezingen om de machtsvraag. De Europese verkiezingen zijn in dit geval de verkiezingen waarbij de zuiverste peiling plaatsheeft van wat de kiezers inhoudelijk vinden, maar juist deze verkiezingen krijgen de minste aandacht van media en politiek en hebben de minste politieke betekenis.

“Dat is waar, maar het meewegen van die machtsfactor bij Kamerverkiezingen is niet irrationeel. Heel wat kiezers realiseren zich dat het dan om meer gaat dan de samenstelling van het parlement. Het gaat ook om de samenstelling van de regering daarna, en dat nemen ze in hun overwegingen mee.”