Europese Unie verdient een president

Mitterrand heeft eens de voorzitter van de Europese Commissie een 'fonctionnaire' genoemd. De Franse president wenste daarmee aan te geven dat het hier niet ging om een politicus met macht en eigen denkbeelden, maar om een uitvoerder van door anderen, de regeringen van de lidstaten, geformuleerd beleid. Dat was niet aardig tegenover de aangesprokene, Mitterrands intelligente en originele land- en partijgenoot Jacques Delors, het deed bovendien ernstig tekort aan diens functie. De Commissie heeft een bij verdrag vastgelegd initiatiefrecht en juist Delors heeft daar op een creatieve manier gebruik van gemaakt. Niet toevallig werd hij tweemaal herbenoemd, hij heeft inmiddels het ambt ook het langst bekleed.

Delors heeft Europa een gezicht gegeven in een tijd van defaitisme, van 'Eurosclerosis'. De Ronde Tafel van Europese ondernemers had voorstellen ontwikkeld ter stimulering van de Europese eenwording. Delors greep ze aan voor een nieuw beleid van monetaire harmonisatie en gefaseerde integratie. Twee jaar geleden liep dat beleid weliswaar stuk op de valutaspeculatie, maar inmiddels is de draad weer opgepakt en er is een reële kans dat een kerngroep het gestelde doel toch nog voor de eeuwwisseling zal bereiken. Het moet gezegd dat Delors zijn roem wel heeft overleefd, maar als geen ander heeft hij de betekenis van een markante persoonlijkheid in de rol van voorzitter van de Commissie aangetoond.

Dat hij dat zelf ook zo ziet, bevestigde Delors vorige week in een vraaggesprek met Le Monde: “De Europese Unie heeft een persoonlijke uitstraling nodig. Momenteel ben ik het die, hoewel ik geen macht heb, volgens sommigen die rol vervul.” De tegenwoordige voorzitter van de Commissie doet dan het voorstel om een Europese president te kiezen, “een persoonlijkheid die belast zal worden met de vertegenwoordiging van de Europese Unie”. En gezien de continuïteit, vooral met het oog op de buitenlandse politiek, zou die president een aantal jaren moeten aanblijven. Delors detailleert: tweeëneenhalf jaar, de helft van het mandaat van het Europese parlement. “Het is van belang”, meent hij, “dat de Verenigde Staten, Japan, Azië, Latijns Amerika en Afrika gedurende een voldoende lange periode een persoonlijkheid tegenover zich vinden die de standpunten van de Unie uitdraagt.”

De belangrijkste vraag is natuurlijk wat een dergelijke persoonlijkheid politiek zou voorstellen. Zoals de zaken nu geregeld zijn, vervult de Commissie allereerst een 'liaison' in een vijfhoek waarin de Commissie, de regeringen van de lidstaten, het Europese Hof te Luxemburg, het georganiseerde Europese bedrijfsleven en het Europees parlement actief zijn. De regeringen hebben het laatste woord en waar de Commissie namens de Unie naar buiten treedt, zoals in de onderhandelingen met het GATT over verruiming van de wereldhandel of met kandidaatleden over toetreding of met Oosteuropese staten over ondersteuning, opereert zij op grond van een door de regeringen vastgesteld mandaat.

Delors lijkt in het midden te willen laten of de Europese president ook voorzitter van de Commissie zou moeten zijn. Dat is opmerkelijk omdat zonder die binding het presidentschap slechts van symbolische betekenis zou zijn. In natie-staten hoeft dat geen bezwaar te zijn omdat bij voorbaat duidelijk is wat en wie het staatshoofd vertegenwoordigt. In het geval van het heterogene gezelschap van Europese staten is dat niet zo. Niet-Europese politieke leiders zouden al gauw de neiging vertonen om na het afleggen van een kort beleefdheidsbezoek zich zo snel mogelijk te vervoegen bij de echte machthebbers.

Een puur representatief presidentschap zou de wereld vermoedelijk een nogal uitdrukkingsloos Europees gezicht tonen, een blanco gelaat waarachter de heersende tegenstellingen verborgen worden gehouden. Maar dat het daarbij niet hoeft te blijven heeft juist Delors bewezen. Delors' verbeeldingskracht maakte indruk niet alleen op zijn onmiddellijke collega's, maar ook op de regeringen van de lidstaten, of zij nu voor- of tegenstanders waren van zijn ideeën. Zelfs buiten Europa werd de naam van de voorzitter van de Commissie een tijdlang vereenzelvigd met het nieuwe elan dat aan Europa werd toegeschreven, het Europa van 1992. Uitsluitend als representerend president zou ook Delors die slag niet hebben gemaakt. Voorzover praktische ervaringen relevant zijn voor de toekomstige institutionele vormgeving van de Unie, kan het presidentschap, als het daarvan zou komen, maar beter met het voorzitterschap van de Commissie worden gecombineerd.

Een president die representeert, initieert, het beleid voert en de controle oefent op de uitvoering van het beleid in de lidstaten, formeel gesproken is dat niet veel meer dan de Commissie nu al voor haar rekening neemt. Maar een opwaardering van de Commissievoorzitter tot vertegenwoordiger van de hele Unie zou de positie van de Commissie in het bestuurlijke krachtenspel aanzienlijk versterken. Dat het uiteindelijk om het kaliber van de betrokkene gaat, leert de geschiedenis.

De lidstaten, de regeringen, tonen intussen geen enkele aanvechting om, ten koste van hun eigen macht en positie, de andere Europese instituties te versterken, zelfs niet waar het de Unie als geheel tot voordeel zou strekken. Naar hun aard zijn de regeringen een toonbeeld van onderlinge verdeeldheid, in de eerste plaats behartigers van een benauwde versie van het nationale belang. Het halfjaarlijkse onder de lidstaten roulerende voorzitterschap van de Europese Raad en van de Raden van Ministers, alsmede de naar buiten optredende trojka van de aanstaande, zittende en zojuist vertrokken voorzitter leveren in de praktijk een krakkemikkige constructie op van sterk wisselende kwaliteit. En als die kwaliteit al gewaarborgd mag worden geacht, zoals straks tijdens het op elkaar aansluitende en nauwgezet gecoördineerde Duitse en Franse voorzitterschap, ontstaat het risico dat de belangen en zienswijzen van andere lidstaten er een tijdlang bekaaid vanaf komen.

Het wisselende voorzitterschap der lidstaten mag maximaal voldoen aan de eis van schijnbare gelijkheid, het is volstrekt ontoereikend om zoiets als een herkenbaar Europees gezicht te tonen, zowel naar binnen als naar buiten. Alleen al daarom verdient Delors' voorstel algemene aandacht.