Een goed milieubeleid kan de Europese recessie verlichten

Het is de laatste tijd oorverdovend stil geworden rondom het Nederlandse en Europese milieubeleid. Het lijkt of we weer terug zijn in de jaren zeventig: milieu als luxevraagstuk. Volgens die benadering zijn economie en milieu antipoden, waarbij zorg voor het milieu iets voor betere tijden is.

Verouderde stellingen worden weer afgestoft. In tijden van economische reccessie zouden we pas op de plaats maken met het milieu omdat milieuzorg duur is, banen kost, enzovoort. Bovendien wordt het bedrijfsleven overspoeld met regels, heet het. Ook klinkt de roep dat eerst Oost-Europa maar wat aan het milieu moet doen. De importen uit die regio zijn goedkoper wegens de vervuilende processen die daar worden gehanteerd en kosten ons daarom werkgelegenheid. Kortom, zoals Bertold Brecht reeds zei: Erst kommt das Fressen, dann die Moral.

Ik meen dat in deze tijd, waarin wij trachten uit een zware recessie te kruipen, niet minder, maar meer aandacht voor milieu nodig is. Terwille van de duurzaamheid van onze economie, de werkgelegenheid, de herstructurering van het bedrijfsleven, de ontwikkeling en toepassing van nieuwe technologie. Het is ergerlijk, dat deze simpele waarheden op zijn best met de mond worden beleden, maar dat daar niet naar wordt gehandeld als het om concrete keuzen gaat.

Wij beleven historisch lage energieprijzen en zijn weer terug op het niveau van voor de oliecrisis van 1973. Tussen 1973 en 1985 verviervoudigde de olieprijs, groeide ons BNP met 25 procent en bleef het energiegebruik stabiel. Sindsdien zijn de olieprijzen in elkaar gestort en groeit het energiegebruik jaarlijks met 2 à 3 procent. Het is duidelijk dat de Europese Unie met deze ontwikkeling de stabilisatie van het CO2-gehalte in het jaar 2000 op het niveau van 1990 niet haalt. Ook in Nederland staan de desbetreffende NMP-doelstellingen onder spanning.

Er wordt geroepen om deregulering van de milieuwetgeving. Dat is een eufemisme voor afzwakking van milieunormen. Bovendien is het twijfelachtig of wij met onze bestaande normen algemeen aanvaarde milieudoelstellingen kunnen halen. Natuurlijk moet bestaande wetgeving - en dus ook die van het milieu - steeds worden getoetst op effectiviteit. Maar dat is wat anders dan bewuste afzwakking onder het mom van doelmatigheid. Daarmee draait men de burger en zichzelf een rad voor ogen. Zo is een goed functionerende milieu-effectrapportage ook juist in tijden van recessie nodig om tot een betere afweging van economisch rendement en milieubescherming te komen. Deze moet niet beschouwd worden als een lastige bijkomstigheid. Verschillende lidstaten keren zich in Brussel tegen een modernisering van de bestaande EG-wetgeving op dit gebied en ook Nederland loopt niet voorop om deze aanpassing snel te verwezenlijken.

In december 1993 sprak iedereen vol lof over de strategische aanpak van het Plan Delors in het Witboek over Groei, Concurrentievermogen en Werkgelegenheid. Milieubescherming wordt daarin genoemd als een van de veelbelovende gebieden om de werkgelegenheid te bevorderen. Het gaat dan om zaken als het onderhoud van natuurgebieden en openbare ruimten (bijvoorbeeld het plaatselijk recyclen) waterzuivering en sanering van verontreinigde gebieden, controle op kwaliteitsnormen en energiebesparing door isolatie van woningen en andere milieu-investeringen. Daarnaast mag niet worden vergeten dat de markten voor milieutechnologie tot de snelst groeiende in Europa behoren. Recente OESO cijfers spreken van een verdubbeling van 300 miljard dollar nu tot 600 miljard in het jaar 2000. Juist in Nederland, dat op een aantal terreinen verloren heeft waar het gaat om technologische innovatie, is uitbreiding van de sector milieutechnologie van doorslaggevend belang.

Het Witboek wees ook op de noodzaak van een nieuw ontwikkelingsmodel voor de Europese Gemeenschap. Het ondoelmatig gebruik van onze hulpbronnen is een van onze structurele zwakten. Het gebruik van arbeid is decennialang systematisch ontmoedigd. Onze steeds toegenomen arbeidsproduktiviteit is constant gepaard gegaan met uitstoot van arbeid. In twintig jaar steeg de welvaart met tachtig procent, terwijl de totale werkgelegenheid slechts met negen procent toenam. Daartegenover staat het eveneens systematisch overgebruik van het milieu en natuurlijke hulpbronnen. Dat overgebruik is het gevolg van het onvoldoende doorberekenen van de externe milieukosten in de marktprijzen. Ook nu gebeurt dat nog steeds onvoldoende. In een op duurzaamheid gericht ontwikkelingsmodel moeten wij daarom komen tot een fundamentele verschuiving van de kosten op arbeid naar die welke op het milieu drukken. Dat is geen luxe, maar bittere noodzaak.