De ridder van Spaubeek

Veertig jaar geleden begon meester Schols (61) als jong onderwijzertje op de katholieke school in Vaals. Hij kwam voor een vierde klas te staan met 42 leerlingen. Op vrijdagochtend ging hij kennismaken. De vertrekkende leraar zei in Limburgs dialect: 'Vandaag ben ik hier nog de baas, vanaf maandag ben jij het.' Aan inwerken werden niet veel woorden vuilgemaakt.

Na een veertiental jaren Vaals en een korte periode aan een openbare school in Sittard, kwam Spaubeek, een dromerig dorpje in de plooien van de Limburgse heuvellandschap. Meester Schols werd bovenmeester en zou dat 25 jaar blijven. Het afscheid van de kinderen en de school is emotioneel, dat wil hij wel toegeven. Vijftig tot zestig uur per week was hij in zijn school te vinden, ook op zaterdag en zondag. Vegen, timmeren, stencillen en copiëren', zingen de kinderen op zijn afscheid, meester Schols is een duizendpoot'.

De festiviteiten beginnen naar goed Limburgs gebruik met een heilige mis. Meester Hub Schols, zijn vrouw en zijn drie volwassen zonen worden in een open Mustang van huis opgehaald. Voor de kerk staat al een erehaag van kinderen klaar om hen binnen te halen. Meneer pastoor, die nauwe banden onderhoudt met de enige school die het dorp rijk is, preekt over Limburgse klei en ouderswetse degelijkheid, de Spaubekjes zingen er lustig op los in de rijk versierde kerk.

Met het vertrek van meester Schols raakt Spaubeek een geliefde en markante hoofdonderwijzer kwijt. Als hij door het dorp loopt wordt hij door iedereen gegroet. Hij kent niet alleen alle kinderen, maar ook hun ouders die hij vaak nog in de klas heeft gehad. Hij staat even stil, maakt een praatje in het zangerige dialect, informeert naar de ziekte van een familielid, en terwijl hij een grapje maakt, aait hij een meisje vrolijk over de bol. Toen meester Schols onlangs geridderd werd zei een van de leerlingen: 'Hij behandelt je alsof je zijn eigen kind bent.'

In 1969 volgde Hub Schols, zoon van een timmerman en de oudste van elf kinderen, zuster Andree op die tot dan toe de scepter zwaaide over de vijfklassige meisjesschool in Spaubeek. In 1974 worden de jongens- en de meisjesschool samengevoegd en begint men in de eerste drie leerjaren met coëducatie. In 1994 laat bovenmeester Schols - een directeur' is hij nooit echt geworden - een moderne katholieke basisschool achter met 340 leerlingen. Ruim driekwart van de jongens en meisjes doet nog de Heilige Communie bij meneer pastoor in het Spaubeekse kerkje.

Op de dag van het afscheid zit de bovenmeester geflankeerd door vrouw en zonen tussen de kinderen van de onderbouw. Ze hebben allemaal een zelfgemaakte hoofdtooi op, voor de jubilaris is er een king-size kroon gemaakt. Samen met de vier- tot achtjarigen geniet hij van het optreden van de clown. De kinderen zijn uitzinnig van vrolijkheid als de clown drie keer zijn jas verkeerd om en binnenste buiten aantrekt. Schols lacht vrolijk mee. 'Dat is het mooie van het onderwijs', zegt hij na afloop, 'als je ziet hoe ze reageren, de snuitjes van die kinderen.' Met weemoed denkt Schols terug aan die 'leuke, charmante kleuterschooltjes', waar de kleintjes zo goed tot hun recht konden komen omdat alles op hen gericht was. 'Nu moeten ze het doen met verbouwde klaslokalen waarin een stukje natte vloer is gelegd', stelt hij spijtig vast. Veertig jaar lang heeft meester Schols consequent de opvatting gehuldigd dat de school er op de eerste plaats voor het kind is. Samen met meneer pastoor werden problemen in gezinnen aangepakt, en ook 'de arme sodemieters' konden op zijn warme sympathie rekenen. Er werd veel gezongen, er was volop tijd voor tekenen en gymnastiek, maar er moest ook flink gepresteerd worden. 'Ik ben een prestatief mannetje', zegt de afzwaaiende bovenmeester van zich zelf, 'en ik wilde uit de kinderen halen wat er inzat.' In vroeger dagen ging er geen enkel kind uit Spaubeek naar het voortgezet onderwijs. 'Dat waren twee aparte werelden', heeft Schols aan den lijve ondervonden. Als hij bij een directeur kwam omdat hij een aantal van zijn leerlingen capabel achtte voor diens school kwam hij vaak niet verder dan de de drempel en werd hooghartig toegesproken vanachter een immens bureau. Zeventien jaar lang was hij daarom secretaris van een commissie die de overgang van lager- naar voortgezet onderwijs in de westelijke mijnstreek moest bevorderen. Zijn advies aan ouders woog zwaar. 'Nu hebben ze allemaal open dagen en demonstratielessen. En als de buurvrouw iets negatiefs over een school zegt, gaan ze er al bij voorbaat niet heen.'

Moeilijker tijden braken aan toen de autoriteit van de kerk plaats maakte voor ministeriële bemoeizucht. Van het oud papier dat alle circulaires opleverde, heeft de Spaubeekse fanfare nog een mooi instrument kunnen aanschaffen, zo grapt de nieuw aangetreden directeur, Wim Janssen. De basisschool werd ingevoerd, leesmoeders en computers kwamen de school binnen, inspraak van ouders moest worden geregeld. 'Randverschijnselen', zo typeert Hub Schols al deze ontwikkelingen. Ze dreigen de aandacht af te leiden van datgene waarom het volgens hem altijd moet draaien in de school: het kind. 'Geef de scholen een zak met geld en maak één regel: zorg voor goed onderwijs', zo luidt zijn oplossing. Dat advies gaf hij ook aan minister Ritzen toen deze eind maart voor bijna tweehonderd krasse knarren in het basisonderwijs - veertig dienstjaren, het komt nog voor - een dag organiseerde op het ministerie. Het leverde Schols een ware ovatie op van zijn mede-senioren.

Op de dag van zijn afscheid is mede-Limburger Ritzen, hoewel uitdrukkelijk uitgenodigd, helaas niet van de partij. Wel staat er een rij tot buiten op de speelplaats: leerlingen, oud-leerlingen, dorpsgenoten. 'De ridder van Spaubeek', zoals de voorzitter van het schoolbestuur P. Bougie hem noemt, was 'idealist waar mogelijk, en realist waar noodzakelijk'. Dat is blijkbaar een gelukkige combinatie in het onderwijs.