De kosten van de krasloterij zijn hoger dan de baten

Over de risico's van gokverslaving aan de krasloterij is nog weinig bekend. Toch is deze loterij bij wet toegestaan. G.P. Hoefnagels hekelt de nieuwe cultuur op het Binnenhof waar in de behoefte om te 'winnen' een eerlijk debat over gevaren van nieuwe wetgeving wordt vermeden.

Het ministerie van justitie stimuleert en subsidieert terecht projecten tot preventie van criminaliteit en verslaving, maar met de krasloterij werden prikkels en risico-uitlokkende factoren bij wet ingevoerd. Over die risico's waren ook de regeringspartijen het eens.

De doelstelling van de wet is mooi maar bescheiden: zo'n veertig miljoen gulden gaat naar sport en cultuur, 7,8 miljoen is voor de schatkist. Voor Haagse begrippen onnozele bedragen. Waarom werden risico's op dure maatschappelijke ellende dan op de koop toegenomen?

Er is nog geen ervaring met de gevolgen van de krasloterij. Het in allerijl in opdracht van de minister gemaakte rapport van de Katholieke Universiteit Brabant, dat moest dienen om de stemming in de Eerste Kamer om te buigen, gaf daarover dan ook geen uitsluitsel. Maar er is wel ervaring met soortgelijke 'spelletjes' en de daaruit voortvloeiende verslaving en criminaliteit. Speelautomaten zijn in meer opzichten vergelijkbaar met de krasloterij. Het betreft hier eenzelfde markt: de lagere inkomensgroepen die meestal niet in het casino komen, en daarvan vooral de jeugdigen. De 'instantelijkheid', de onmiddellijke uitslag met de daarbij behorende spanning en kans op beloning, zijn voor het herhaalgedrag beslissend. Populatie en gedrag komen bij krassen, trekken en drukken in hoge mate overeen.

De eerste onderzoeken naar de krasloterij bevestigen dat risico's van krasloten vergelijkbaar zijn met die van speelautomaten. Vooral door de jeugd wordt extreem veel gekocht. Hoewel de wet verkoop verbiedt aan jongeren onder de achttien jaar, zijn zij de grootste afnemers. Dat is dus illegaal. In de uitzending van Het Capitool vroeg directeur Van den Bergh zich af hoe je dit kon tegengaan, maar staatssecretaris Kosto hield de Kamer voor dat zo'n verkooppunt “onmiddellijk zijn vergunning kwijt is”. In schijnheiligheid zijn we in Nederland altijd goed geweest: mooie doelstellingen, nog mooiere normen, lang leve de overtreding. Trouwens, had minister van justitie Hirsch Ballin wiens naam verbonden is aan de krasloterij, in 1991 niet gezegd: “Zoals altijd is het beter om afstand te houden van een situatie waarin sommigen die wat minder sterk in hun schoenen staan over de grens gaan...Ik zou dan ook niemand aanraden om zijn vertier te zoeken in, eh, gokhallen.” Even later kwam hij met dit wetsvoorstel. Een nieuwe markt met veel jeugd gaat het gokken leren.

Van alle kansspelverslaafden zit reeds 73 procent bij die andere instantloterij, de speelautomaten, waartegen gemeenten met veel moeite en kosten een dam proberen op te werpen. Genoemd rapport leert ons dat gokverslaving steeds diefstal, inbraak en heling met zich meebrengt. Eerst plundert de gokverslaafde zijn familie. Daarna gaat de gokverslaafde stelen en inbreken. Deze gevolgen zijn geen risico, maar zijn empirisch vastgesteld.

Wat is de kans op fraude? Ook dit werd in de Kamer uitvoerig aan de orde gesteld. De kern van het risico is dat de winnende nummers van tevoren bekend zijn. Er gaan enkele honderden pakketten met een gesorteerd aantal winnende nummers naar een verkooppunt. Enkele inventieve computerdeskundigen ontwerpen het systeem, anderen maken het programma, weer anderen hebben het beheer en nog weer anderen controleren het. Als van deze vier functies er twee overlappen is de kans op fraude levensgroot. Het is begrijpelijk dat de bewindslieden de Kamer geen waterdichte garantie konden geven dat het bij de krasloterij niet misgaat. Natuurlijk kunnen computerdeskundigen hun systeem beveiligen, maar risico's uitbannen kunnen zij niet. De kans op fraude blijft en één keer zou al teveel zijn voor de krasloterij: èn voor de markt èn voor de kosten-baten-analyse.

Bij wijze van proef op de som heb ik de bewindslieden in de Kamer gevraagd of zij in geval de krasloterij tot gokverslavingen leidt, de kosten van politie, justitie en hulpverlening uit de opbrengst van de krasloterij wilden betalen. Wat kost het politieonderzoek naar zo'n inbraak, diefstal of heling? Naar zo'n computerfraude? Een echte klinische behandeling van één gokverslaafde kost ongeveer drie ton. Het antwoord van de regering was negatief: deze kosten komen niet voor rekening van de instantloterij.

De krasloterij kan dientengevolge de burger meer kosten dan zij opbrengt. Het beste dat we van de wet op de instantloterij kunnen zeggen is dat de regeringspartijen een gokje waagden. Ook het beroep op preventie van criminaliteit kreeg in de Kamer geen gehoor. In dit geval kon preventie reeds plaatsvinden niet door iets te doen, maar gewoon door iets te laten. Van de regeringspartijen bleef alleen de woordvoerster van het CDA tegen; zij kende de gevaren en bezwaren door en door. Maar de fracties van PvdA en CDA bleven “om politieke redenen” hun bewindslieden steunen. Het is een vorm van Binnenhoffelijk denken, waarbij het woord politiek de betekenis van buiten- of onmaatschappelijk krijgt. Tot het Binnenhoffelijk denken hoort ook het dilemma van de fractie van een regeringspartij die in een bepaalde periode reeds tegen een paar wetsvoorstellen heeft gestemd; er is een soort kwantumgrens aan de contrairgang. En boven alles speelt de irritatie bij Tweede Kamerleden door een Eerste Kamer die het nu en dan beter denkt te weten dan de professionals aan de overzijde van het Binnenhof. Hier immers, bij de Tweede Kamer, ligt het politieke primaat. Voor de goede orde: de fracties van D66 stemden tegen.

Was het wel een echt debat? In een goed debat is ieder bereid te sterven, aldus een Chinees spreekwoord. Telden de argumenten in het debat? Naar mijn waarneming niet. Er is in het Binnenhof een cultuur ontstaan - ook bij wetten die buiten het regeerakkoord om gaan, zoals die op de Instantloterij -, waarbij het er meer om gaat te 'winnen' dan om in een echt debat tot goede wetgeving te geraken. Ik wacht op de minister die na het debat tegen de Kamer durft te zeggen: U hebt mij nieuwe argumenten gegeven, ik trek dit wetsvoorstel in.