De drukpers is voor graficus Oorebeek kwast met kuren

Tentoonstelling: Monolith, tot 24/7 in Witte de With, Witte de Withstraat 50, Rotterdam. Geopend: di t/m zo 11-18 uur.

ROTTERDAM, 9 JUNI. “Dit zijn geen mensen meer, dit zijn dode geesten die ons in een laatste oprisping aanstaren.” De Rotterdamse graficus Willem Oorebeek wijst naar een paar aanlokkelijke fotomodellen op de wanden van het kunstcentrum Witte de With in Rotterdam, dat nu een eerste overzicht van zijn werk presenteert. Die jongens en meisjes daar worden ons in alle soorten drukwerk voorgeschoteld als de gelukkigste mensen ter wereld, gezegend met een gaaf lijf, een gaaf gezicht en een gaaf pak. Lijden doen ze nooit, ze verleiden. “Moet je je voorstellen”, zegt Oorebeek, “aan die mensen spiegelen we ons! Zie je hoe geïsoleerd ze zijn, hoe eenzaam? En zie je die fles die ik erover heen heb gedrukt? Dat ben ik zelf. Ik mag overal overheen denderen.” Willem Oorebeek (Pernis, 1953) 'schildert' al jaren met door hem zelf gedrukte litho's, veelal unica waarop een minimum aan beeld voorkomt. Hij componeert die lithobladen - bedrukt in zwart-wit of in twee, drie kleuren - tot grootschalige patronen van cirkels, flessen, dieren, teksten en combinaties daar weer van. Hoewel beeldfragmenten terugkeren, wijken de werken onderling sterk van elkaar af. Vooral de fles staat vaak model, als metafoor van de kunstenaar zelf. Het drinkglas fascineert hem ook, “omdat er zo vreselijk veel inkt voor nodig is om de transparantie en de kleurloosheid te reproduceren.”

Top-fotomodellen als Naomi Campbell duiken pas sinds kort bij Oorebeek op. Ze zijn allen lid van de Vertical Club, de nietszeggende naam van een fictief gezelschap dat de kunstenaar zelf in het leven heeft geroepen. Ook de clubleden vindt hij trouwens zo nietszeggend dat ze bij toekomstige exposities door andere 'supermensen' vervangen worden. Zo moet er een continuüm ontstaan van misleidende schoonheid, van misleidende leegte.

Oorebeeks werk lijkt oppervlakkig. Door de ritmische beeldherhalingen neig je er te snel aan voorbij te lopen. Subtiele reproduktie-nuances - ook een drukpers is een kwast met kuren - ontgaan de toeschouwer met gemak. Maar al pratend over het werk komen er conceptuele en verscholen verbanden boven drijven.

Veel draait bij Oorebeek om drukwerk en beeldcultuur - dat staat vast. Hij ontleent er zijn thema's aan, analyseert het drukprocedé, legt nieuwe verbanden, maakt uitvergrotingen van details, en levert aan de hand daarvan dan zelf opnieuw drukwerk af, zijn litho-composities dus.

Zo 'speelt' hij al jarenlang met de uitvergroting van een paskruis, dat de drukker hanteert om kleuren op elkaar af te stemmen. Dat paskruis doet bij Oorebeek dienst als vizier, als schietschijf. Hij richt het op de buik van een mooi gelithografeerd everzwijn, een uitvergroting van een ouderwets schoolboekplaatje. Maar datzelfde paskruis associeert hij ook met de iris van een oog of met de letter 'o', “de meest abstracte letter die er is”. Die letter 'o' kan ritmisch een hele wand bedekken, zodat er een kolossale uitvergroting van een raster ontstaat, dat in de drukkerij nodig is om grijstonen te bereiken, maar dat de lezer volstrekt ontgaat. Schietschijf, vizier, letters, rasters: menig onderdeel verwijst naar het 'kijken en waarnemen'.

“Ik onderzoek hoe drukwerk functioneert als repeterend medium. We worden er dagelijks mee overstelpt. Nog steeds geniet dat wat in inkt is gereproduceerd een grote status, groter dan de televisie, waarop tegenwoordig veel te veel gewone mensen te zien zijn. Drukwerk staat voor waarheid. Maar datzelfde drukwerk is in de praktijk een tandwiel van incidentjes, van onopvallende onnauwkeurigheden die ik uitvergroot. Ik tast die absoluutheid aan door minimale verschillen in geoptimaliseerde vorm samen te brengen.”

De kunstenaar zelf blijft daarbij niet buiten schot. In een boek dat bij de tentoonstelling verschijnt heeft Oorebeek de identiek genummerde pagina's uit eerdere catalogi van zijn werk over elkaar heen gedrukt. Zelfs zijn biografische gegevens zijn in deze overdrukken moeilijk leesbaar geworden. En zo relativeert en ironiseert hij zijn eigen bestaan, en zijn erkenning als kunstenaar. “Ik heb er concrete poëzie van gemaakt, verbanden veroorzaakt die je niet zou kunnen bedenken. Daarmee blijf ik weliswaar trouw aan mijn procedé, maar ik waak ervoor in dogmatische spelletjes vervallen.”

Eigenlijk vind hij het gesjouw met die loodzware lithostenen stomvervelend. Misschien zou hij wel liever schilderen. “Schilderen is te direct en grafiek als democratische kunstvorm interesseert me niet. Ik houd van de omweg die de lithosteen biedt. Op die manier kan ik drukwerk analyseren en met een gemankeerd beeld laten zien wat zich daarachter schuilhoudt. Drukwerk is een resultaat van waarneming en manipulatie. Ik analyseer en vertraag die waarneming, ik attaqueer de standaardisatie van tekst en beeld. En dankzij de de lithosteen kan ik opnieuw manipuleren. Zo ben ik mijn eigen manipulator geworden.”

Oorebeek doceert aan de Jan van Eyck Academie in Maastricht en Ateliers '63 in Amsterdam. Zijn werk was regelmatig op museale groepstentoonstellingen en in galeries te zien. Dit eerste overzicht vindt hijzelf ronduit 'schokkend'. “Mijn exposities vormden elk tot nu toe een afgerond geheel. En ineens blijken die kleine cirkels in elkaar te grijpen. Ineens zie ik veel meer parallellen, terwijl ik in gedachten toch vaak met niets anders bezig ben geweest dan met concreet drukken.” Toevalligheden hebben zich ongemerkt ontwikkeld tot wetmatigheden die onderling weer van alles met elkaar te maken hebben. Die samenhang geeft zich minder snel bloot dan de holle schoonheid van het topmodel.