Brede bèta, smalle gamma

Strategische beslissingen over wetenschap en technologie worden in de regel genomen door managers zonder kennis op dit gebied.

Breed opgeleide bèta's moeten de schade beperken.

Beta's hebben het aardig voor elkaar - denken ze. Ze zijn intelligent, werken op een hoog abstractieniveau, hebben een sterk ontwikkeld analytisch vermogen, kunnen modelmatig denken, maken gebruik van kwantitatieve methoden, bezitten specialistische kennis en - niet onbelangrijk - ze hebben zich over iets als beroepsperspectieven nooit veel zorgen hoeven maken.

Tegelijk hebben bèta's een imagoprobleem. Ze zijn arrogant. Ze hebben een te hoog Willie Wortelgehalte. Ze dragen oogkleppen. Ze kunnen niet communiceren met andersdenkenden. Ze bezitten nauwelijks belangstelling voor zaken die niet direct de eigen expertise aangaan. Ze luisteren niet. Sociale vaardigheden zijn zwak ontwikkeld. In multidisciplinaire samenwerkingsverbanden doen ze het belabberd. En in een tijd van recessie, zonder Koude Oorlog, staat research - en dus de werkgelegenheid - onder druk.

Prof.dr.ir. F.A. Bais, hoogleraar theoretische natuurkunde aan de Universiteit van Amsterdam, onderkent het slechte beeld. “Al op de middelbare school gaat het fout. Er zijn exact begaafde en ook belangstellende scholieren die best dieper op wetenschappelijke ontwikkelingen zouden willen ingaan, maar dan wel zonder de maatschappij uit het oog te verliezen. Die krijgen we dus niet. Uit afkeer van techneuten en wereldvreemde geobsedeerde priechelaars in ivoren torens kiezen ze - en dat geldt in het bijzonder meisjes - voor geneeskunde of economie.”

Natuurwetenschappers zijn veel te smal, vindt ook Sheila Tobias, autoriteit op het gebied van bèta-onderwijs en auteur van boeken als Overcoming math anxiety en Breaking the science barrier. Afgelopen maand was de Amerikaanse onderzoekster in Nederland voor enkele lezingen waarin ze de bètagemeenschap nog eens een spiegel voorhield: “Wie zich niet aanpast, wie niet gehoorzaam is, wie de research niet boven al het andere stelt, wordt weggekeken.” Tobias hekelt de zelfgenoegzaamheid van bèta's. “Volgzaamheid wordt in hun cultuur voor slim versleten.”

Een paar jaar geleden liet Tobias begaafde ouderejaarsstudenten filosofie en letteren de eerstejaarscolleges natuurkunde observeren. In They're not dumb, they're different vat ze de bevindingen samen: “Tenzij ze buitengewoon gemotiveerd zijn, een enorm zelfbewustzijn hebben, docent- en curriculumbestendig zijn, onverschillig staan tegenover het materiële, fanatisme uitstralen, zich kortzichtig opstellen, kortom: tenzij ze klonen zijn van de bèta's waarbij ze aansluiting zoeken, hebben vele begaafde, nieuwsgierige en ambitieuze jonge studenten alle reden te concluderen dat voor hen in de natuurwetenschap geen plaats is.”

Supermarkt

Educating for versility, heet Tobias' nieuwste project. Dat wil men in Amsterdam ook. De ophanden zijnde fusie tussen de faculteiten natuurkunde, wiskunde en informatica is aangegrepen om de mogelijkheden van een brede bèta-opleiding serieus te onderzoeken. Een beslissing is overigens nog niet genomen, een nieuwe opleiding vergt qua mankracht en middelen een grote investering en bij informatica is men juist twee bredere varianten begonnen. 'Laten we ons toch bij onze leest houden en goede onderzoekers opleiden', oordeelt een niet onaanzienlijk deel van de fysici.

In geen geval mag de nieuwe richting een 'supermarkt studie' als Algemene Letteren worden, ook al trekt die studenten bij de vleet. Bais: “We houden vast aan een opleiding tot specialist, maar dan met wat extra's om de student multidisciplinair te laten functioneren. We willen hem het algemene vermogen bijbrengen problemen exact te formuleren en te vertalen naar eenvoudige mathematische modellen, met daarnaast veel aandacht voor communicatieve en organisatorische vaardigheden.”

Teveel verdunning acht de Amsterdamse hoogleraar de dood in de pot. Ook de brede bèta moet analytisch leren denken, waarbij - ten koste van experimenteel onderzoek - een belangrijke plaats is ingeruimd voor simulaties. Bais: “Het moet een zware studie worden, niet te dicht op de natuurkunde maar evengoed een stevige wetenschappelijke opleiding met een samenhangend programma. Het is geen toer om aan studenten te komen - kijk naar Europese studies met zijn slechte beoordeling - wel om studenten af te leveren waar de maatschappij op zit te wachten. We willen een nieuwe winkel met een nieuw imago en nieuwe onderwijsmethoden om exact begaafde studenten die we op dit moment mislopen alsnog binnen te slepen.”

De weerzin voor een 'verwaterde bèta-studie zonder veel diepgang' is ook terug te vinden in het onderzoeksrapport Bèta-min of bèta-plus dat de faculteit natuur- en sterrenkunde van de UvA inmiddels heeft laten opstellen. “Je moet van tenminste één ding genoeg weten, omdat je anders niet serieus wordt genomen”, stelt een van de respondenten. “Maar daarnaast is het essentieel te weten hoe beslissingen tot stand komen, hoe men moet onderhandelen, en hoe men in teamverband moet opereren.” Brede bèta's moeten een keurkorps vormen, is de teneur.

Extravert

De Universiteit van Utrecht heeft al een brede bèta-opleiding: de studierichting Natuurwetenschappen (binnenkort omgedoopt tot Natuurwetenschappen en bedrijf & bestuur) is inmiddels in zijn derde jaar. Negen faculteiten doen erin mee, van natuur- en sterrenkunde via aardwetenschappen tot sociale wetenschappen. Het dilemma breedte versus diepte is 'opgelost' door de eerste drie studiejaren thematisch in te richten, waarbij gekozen is voor de onderwerpen energie, materialen en klimaat en milieu. De studenten volgen colleges en praktica in de betreffende faculteiten, op het niveau van de 'eigen' studenten. Afstuderen doet de Utrechtse natuurwetenschapper in een economische, juridische of sociologische variant.

Dr. W.M.A. Smit, directeur van de Utrechtse opleiding, vindt dat in brede programma's kwaliteit zich slecht met veel keuzevrijheid verdraagt. “Onze studenten zijn wat extraverter, wat wilder dan men in de natuurwetenschappen gewend was. Het is ook voortdurend omschakelen: het ene moment krijgen ze een gammaboek van zevenhonderd zachte bladzijden, het volgende een partij taaie formules uit de thermodynamica. Voor de docenten is het allemaal onrustiger, die hebben opeens lieden voor zich met een eigen mening. Ook verschillen de zeden van faculteit van faculteit. Zo werkt men bij de juridische faculteit met een aanwezigheidsplicht en dat gaf met onze studenten weleens strubbelingen.”

Over de kansen van zijn studenten op de arbeidsmarkt maakt Smit zich geen zorgen. “Het Nederlands Economisch Instituut heeft becijferd dat er per jaar zo'n honderdvijftig geschikte functies vrijkomen, voor de helft bij de overheid en voor de helft bij de industrie. Dat aantal studenten halen we nog lang niet, tot onze spijt.” Na twee keer vijftig aanmeldingen heeft Utrecht er dit studiejaar vijfenzeventig.

Utrecht is overigens niet de enige die in de brede vijver vist. De TU Delft heeft 'technische bestuurskunde', eveneens tot het derde studiejaar gevorderd, en in Eindhoven is 'techniek en maatschappij' van de weeromstuit tot volwaardige studie gepromoveerd. Smit: “In Eindhoven is het allemaal wat minder technisch en wiskundig en eindverslagen zijn er soms van een twijfelachtig niveau. Om die reden heeft de vakgroep Natuurwetenschap en Samenleving in Utrecht aio-aanvragen uit Eindhoven afgewezen.”

Aan dédain en scepticisme van harde bètazijde heeft Smit geen boodschap. Hij verwijst naar Amerika, waar Stanford en het Massachussetts Institute of Technology in de jaren zestig de opleidingen Science & Policy en Science & Engineering zijn gestart. Stageplaatsen heeft Utrecht genoeg. Bedrijven als Akzo, Hoogovens en Dow Chemical, overheidsinstellingen als ECN, het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne en het Waterloopkundig Laboratorium, maar ook diverse ministeries, hebben zich bereid verklaard de Utrechtse studenten op te willen nemen. Smit: “Er kwam laatst een human research officer van de Shell op me af met de vraag: 'Hebben jullie al aan ons gedacht?' ”

Contrarevolutie

In plaats van te schamperen zouden harde bèta's alleen al uit puur eigenbelang er goed aan doen de nieuwe initiatieven te omhelzen. Hun brede collega's gaan immers opereren op het 'snijvlak' van wetenschap, techniek en samenleving. Daar wordt nu de dienst uitgemaakt door economen, juristen en accountants, managers zonder veel kennis van natuurwetenschappelijke zaken maar evenzogoed verantwoordelijk voor besluiten die bèta's in het hart treffen. Nu de glans van de business schools eraf is, lijkt de tijd rijp voor een contrarevolutie.

Bais: “In de rangen der managers en topambtenaren, waar over ons geld beslist wordt, zijn de bèta's teruggedrongen. De samenleving wordt almaar technologischer en toch zie je op beleidsniveau een overmaat aan zachter opgeleid volk. De managers van nu zijn toch opgepoetste bureaucraten waar onze belangen en onze manier van denken niet toe doordringen. Ze stellen orde op zaken, zeker, of schuiven geld van A naar B. Maar nieuwe dingen creëren ze niet. Een bedrijf gezond maken is een ding, maar een nieuwe technologie ontwikkelen of een klimaat van fundamenteel onderzoek in stand houden vergt een heel andere expertise. Daarin willen wij voorzien. Een brede bètastudent van nu beslist morgen over onze researchaanvraag.”