Bosnische Serviërs voelen zich in het nauw gedreven

Het gisteren in Genève getekende akkoord over een bestand van een maand in Bosnië is de duidelijkste illustratie tot dusverre van de problemen waarin de Bosnische Serviërs zich bevinden. Hun leider, Radovan Karadzic, was aanvankelijk uit op een bestand van een vol jaar. Halverwege het overleg werd hij overgehaald die termijn tot vier maanden te bekorten. Uiteindelijk werd het vier weken - de termijn die zijn tegenstanders vanaf het begin voor ogen hadden. Karadzic leed daarmee zijn eerste duidelijke nederlaag aan de onderhandelingstafel.

Nog kan de zenuwarts b.d. uit Sarajevo kwaad roepen dat de Serviërs de overwinnaars van het slagveld zijn en dat de moslims zich verrekenen als ze trachten de Serviërs voorwaarden voor een vredesregeling te dicteren. De werkelijkheid is echter de afgelopen weken veranderd. Sinds de moslims en de Kroaten het eens zijn geworden over hun nieuwe federatie hebben ze de handen vrij voor de gezamenlijke bestrijding van de Serviërs. Ze hebben hun legers samengevoegd en op veel plaatsen langs het 1.400 kilometer lange front zijn ze in de aanval gegaan.

Hun successen zijn vooreerst bescheiden, vooral omdat ze zware wapens te kort komen en zich moeten beperken tot een guerrilla. Maar op het slagveld ziet de toekomst er voor hen veel beter uit dan voor de Serviërs. Het front is voor de Serviërs veel te lang om het afdoende te kunnen verdedigen, de oorlogsmoeheid begint aan Servische kant een steeds grotere tol te eisen en dank zij de overeenstemming tussen de Kroaten en de moslims kunnen de laatsten zich in snel tempo wapens verschaffen. Er is een duidelijke toename van de smokkel (via Zagreb en Split) van wapens uit Turkije, Iran en Maleisië naar de Bosnische moslims geconstateerd.

Het is daarom geen wonder dat de moslims weinig haast hebben met een vredesregeling, dat ze vorige week vier dagen lang het vredesoverleg boycotten en zo strak vasthielden aan een bestand van hooguit vier weken dat zelfs door VN-gezant Akashi ingeroepen Amerikaanse druk hen de afgelopen dagen niet tot concessies heeft kunnen bewegen. De moslims hopen zoveel mogelijk gebied op de Serviërs te heroveren voordat de territoriale status quo door een langdurig bestand wordt ingevroren en de moslims voor het herwinnen van gebied zijn aangewezen op Servische concessies aan de onderhandelingstafel.

Ook politiek gaat het de Bosnische Serviërs niet voor de wind, vooral door de gestaag afnemende bereidheid van Servië om de zaak van de Bosnische volksgenoten te blijven steunen. In Belgrado wordt steeds vaker en steeds indringender gehamerd op de noodzaak van concessies in het vredesoverleg. De sancties blijven bijten en in Servië hangt, zoals een Servisch blad het eens heeft uitgedrukt, “een stemming van eenzaamheid, spijt, afwijzing, depressie, somberheid, melancholie, lusteloosheid, ineenstorting en armoede”. In Belgrado wordt gewerkt aan plannen om meer dan 100.000 naar Servië gevluchte Bosnische (en Kroatische) Serviërs weg te sturen omdat de financiële last van hun onderhoud te groot wordt. Druk uit Belgrado zou wel eens een belangrijke rol kunnen hebben gespeeld bij de nederlaag die Karadzic gisteren aan de onderhandelingstafel moest incasseren. De tijd dat de leider van de Bosnische Serviërs vanuit een krachtspositie onderhandelde, is verleden tijd.

Sterker: de Serviërs konden uiteindelijk wel eens de verliezers van de oorlog worden, in vergelijking tenminste met wat ze hadden. Voor de oorlog bezaten ze 65 procent van het grondgebied van Bosnië - nu hebben ze zeventig procent in handen, maar als de internationale gemeenschap haar zin krijgt houden ze uiteindelijk maar 49 procent over en zelf maken ze nog maar aanspraak op 53,5 procent. Van de Bosnisch-Servische inwoners is veertig procent gevlucht, geëmigreerd of gedood. De Bosnische Serviërs, zo zei de Servische oppositieleider Vuk Draškovic onlangs, hèbben de oorlog al verloren: “Straks houden ze 51 procent van de ruïnes van Bosnië-Herzegovina over, hebben ze de oevers van alle belangrijke rivieren behalve de Drina moeten ontruimen, alle belangrijke steden behalve Banja Luka verloren, geen enkele fabriek overgehouden, geen enkele communicatielijn, geen enkele mijn, straks hebben ze alles verloren wat ze hadden en moeten ze van een dorp de hoofdstad maken van de Servische Republiek, een land van stenen en rotsen, een republiek die een half miljoen soldaten nodig heeft om zijn duizenden kilometers lange grenzen te verdedigen.” De Serviërs, aldus Draškovic, hebben zich tot de paria van Europa gemaakt: “In alle stormen in de wereld, in Europa en op de Balkan hebben de Serviërs altijd bondgenoten gehad. Nu zijn we alleen, alsof we de pest hebben. We zijn wat we niet zijn en we hebben veel wijsheid, inspanningen en tijd nodig om weer te worden wat we werkelijk zijn. Elke boer kan ons zeggen wat onze plicht is. Hij heeft de ervaring en de herinnering aan de tijd waarin de Servische staat werd geschapen, vernieuwd, vergroot. Het zijn de Serbo-communisten die hem zijn staat, zijn eer, zijn zelfrespect, zijn bondgenoten, die hem àlles hebben gekost.”