Wat dreigt

Wat mij verbaast en soms zelfs een gevoel van zinvol leven geeft: de hang van mensen om iets mooi te vinden, of te maken. De hele schepping is op wreedheid ingericht, op toeval en gevaar, en wij maar hunkeren naar harmonie.

Op het water lag een lelieveld en op die lelies zaten witwangsterns, een enkele op eieren, de meeste náást een drijvend nest. Dat waren vrouwtjes. De mannen vlogen weg en kwamen terug en streken bij een vrouwtje neer. Ze maakten krassende geluiden, heen en weer, de ene net een tikje anders dan de andere.

Hèhè, daar ben ik dan.

Jaja, daar ben je dan.

Vervolgens bood hij haar een kleine vis van zilver aan, bezegeling van hun verbond. Dan bleef hij bij haar staan, misschien al voor de nacht.

Nou, dat was mooi. Waarom, dat weet ik niet. Ik weet alleen dat ik wou blijven waar ik was.

Heel langzaam viel de avond. De wolken werden weergaloos weerspiegeld door het water en langs de bosrand kwam een bruine kiekendief, een rustig vrouwtje op inspectietocht. Ze zag het leven op het lelieveld en wijzigde haar koers. De sterntjes vlogen op. Ze schreeuwden wat en vielen aan, maar zonder noodzaak, zonder vuur; er waren immers nog geen kiekens die gestolen konden worden.

Die kiekendief: ik kom nog weleens terug.

Die witwangsterns: dat zien we dan wel weer.