Vivere pericolosamente

Hoe moeten we ze noemen? Fascisten? Neo's? Postfascisten zoals de Italiaanse tak het graag wil horen? Kunnen we politici die openlijk de grondslagen van het fatsoen aan hun laars lappen nog wel een hand geven, hoewel ze democratisch zijn gekozen in het parlement en nu al in een regering zitten en dus meedoen aan de behartiging van het openbaar belang? Wat moet er gebeuren als er een aantal in het Europees Parlement worden gekozen? Staat de benzinepomp in Milaan er nog, waar het leven van Mussolini en Clara Petrucci is geëindigd, of heeft iemand met een vooruitziende blik die bijtijds laten slopen? Het Europees fascisme is een stap gevorderd: het is uit het halfduister van de onbetamelijkheid tevoorschijn gekomen en het veroorzaakt nu een probleem van omgangsvormen en herdenkingen. Wordt dat probleem opgelost als we weigeren het een hand te geven?

In Nederland is wat we fascisme noemen - het samenraapsel van rauw eigenbelang, lompenproletarische haat en onnozel idealisme - nooit een nationaal vraagstuk geweest. In de jaren twintig heeft een soort edelfascisme, een 'aristocratische' opvatting van de manier waarop de maatschappij moest worden ingericht, het tot een begin van populariteit gebracht; maar de meesten zijn snel van hun vergissing teruggekomen nadat ze hadden gezien wat zich achter deze banier van de vernieuwing begon te verzamelen. Als er nu van een herlevend fascisme sprake zou zijn dan heeft het in ieder geval in Nederland dit 'aristocratische' stadium overgeslagen. Wat te voorzien was is gebeurd: de Centrum Democraten hebben zichzelf ontmaskerd als een gezelschap van plaatselijke opportunisten en ruziemakers zonder dat het probleem van de omgangsvormen daarbij een rol van betekenis heeft gespeeld.

Het fascisme en het nationaal-socialisme van de jaren dertig verschilt van de radicaal-rechtse conjunctuur die ons nu bezighoudt doordat die bewegingen van zestig jaar geleden de schijn van een opbouwende energie wisten te wekken; doordat ze het constructief karakter schenen te hebben waaraan het de democratische politiek toen ontbrak. Dat is door Jacques de Kadt in zijn Het fascisme en de nieuwe vrijheid al duidelijk uitgelegd. Sebastian Haffner gebruikt in de hoofdstukken van zijn Anmerkungen zu Hitler, waar hij de eerste successen van de nazi's verklaart, ongeveer dezelfde argumentatie. “Alles lukte hem”, alles waarin de democratische partijen het hadden laten afweten. Je kon je bezwaren tegen zijn methoden hebben maar je moest toegeven “dat er toch iets in zat”.

Deze verleiding, de schijn van constructief beleid, gesteund door een politieke filosofie, een 'leer', een plan voor het 'herstel van een gezonde maatschappij' die door de decadente plutocraten naar de afgrond werd gestuurd, al die retoriek van het interbellum ontbreekt in het postfascisme. Het appelleert zonder constructieve plichtplegingen direct aan de gevoelens van onzekerheid, angst, haat en een wild geworden nationalisme.

Alleen al daarom zou in een Europa dat de dictaturen achter zich heeft gelaten, waar zich de politieke beschaving van de verzorgingsstaat heeft gevestigd, en waar nu - om die verworvenheden nog eens te bevestigen - met alle middelen de invasie wordt herdacht, dit postfascisme geen schijn van kans moeten hebben. In het Westen, waar tot dusver de grote meerderheid de kwakzalvers doorziet, heeft hun begin van een opmars dan ook nog meer een gevoel van verlegenheid, een vraagstuk van de omgangsvormen veroorzaakt dan werkelijke bezorgdheid. Het probleem van het postfascisme bevindt zich hier nog in het stadium van een betrekkelijke luxe.

Maar daarmee is het toch al in een gevorderde fase gekomen. De vraag is niet meer of het nu wel of niet bestaat, maar wat we moeten doen om het zo beperkt mogelijk te houden. In dit stadium dienen zich met nieuwe urgentie de oorzaken aan waardoor het onder onze ogen zover heeft kunnen komen. In het kort gezegd komt het dan hierop neer dat we terugkeren tot de agenda die we sinds het einde van de Koude Oorlog al ettelijke malen onder ogen hebben gehad zonder te beseffen dat verwaarlozing tot verslechtering leidt. Een industriële samenleving kan het zich niet veroorloven, er jaar in jaar uit om en nabij de tien miljoen werklozen op na te houden. Het is ondenkbaar dat een voortgaande immigratie uit de landen van het vroegere Oostblok geen spanningen in de ontvangende landen zou veroorzaken. Het is van die landen teveel gevergd als onze bijdrage tot hun wederopbouw zou bestaan uit een teveel van onze recepten voor de vrije markt en een te weinig van de materiële hulp die nodig is om de voorschriften toe te passen. Het doet de leiding van de maatschappij in haar geheel onmetelijke schade als met enige regelmaat kopstukken uit het bestuur, het bedrijfsleven en de politiek in opspraak of achter de tralies raken. Het is op den duur een rampzalig gebrek aan inzicht als we niet beseffen hoe na de Koude Oorlog de binnenlandse politiek van West-Europa met de buitenlandse tegenover de vroegere communistische wereld is verweven.

Alarmisme verveelt. Als niet de eerste de beste, Jeffrey Sachs, voormalig adviseur van de Russische regering, verzekert dat Rusland hoe langer hoe meer trekken van de Weimar Republiek vertoont en smeekt om een gematigd Marshallplan, dan is het vrijwel zeker dat er, zoals vijf jaar geleden, een regiment deskundigen gereed staat om daarvan de 'onhaalbaarheid' te bewijzen. Als in Oosteuropese landen communistische partijen weer op het toneel verschijnen dan betekent dit dat de grote groepen kiezers niet meer in de doelstellingen van een 'westerse' opbouw geloven en dat aanvaarden we als een voldongen feit. Als de president van de Verenigde Staten in Rome in verlegenheid wordt gebracht door de confrontatie met een postfascist, dan beschouwen we het als een vraagstuk van de omgangsvormen.

Totnutoe hebben we het in onze achteloosheid met onze postfascisten getroffen. Misschien zullen de Europese verkiezingen leren of we deze, de democratische versie van het gevaarlijk leven, snel wat moeten veranderen.