Tsjechen als karig beloonde matrozen op de binnenvaart

Het gevecht om de weinige banen in Nederland woedt vooral aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Daar bevinden zich veel allochtonen, die werk verrichten waar de autochtoon zijn neus voor ophaalt. Zevende en laatste deel in een serie over migranten en werk.

DORDRECHT - Kurt Marris, een compact gebouwde veertiger uit Echteld in de Betuwe, staat weer op het punt naar de Tsjechische hoofdstad Praag af te reizen. Hij haalt er met zijn busje vier mannen en twee vrouwen en brengt ze een dag later naar verschillende steden aan de Rijn: Bazel, Straatsburg en Mannheim. Daar stappen ze op schepen van diverse nationaliteit om deel uit te maken van de bemanning. Het zijn matrozen en - in het geval van de vrouwen - een kelnerin en een kamermeisje, die in de cruisevaart op de Rijn gaan werken.

“Dat doe ik gemiddeld twee keer per week, twee keer heen en terug”, verklaart Marris in een wegrestaurant bij Dordrecht. “De vraag naar Tsjechisch personeel is groot en van Tsjechische kant kunnen we rustig van een overweldigend aanbod spreken. Geen wonder, de verdiensten liggen hier vijf, zes keer hoger dan daar.” Sinds april 1992 heeft hij in het hart van Praag een eigen bemiddelingsbureau onder de naam European Maritiem and Employment Service SRO (de Tsjechisch term voor BV), dat inmiddels 220 Tsjechen en ook Slowaken op Zwitserse, Duitse, Belgische en Nederlandse schepen heeft geplaatst. Onder Nederlandse vlag varen er ruim honderd uit de 'stal' van Marris, ongeveer een derde van het totale aantal Tsjechen dat de Nederlandse Rijn- en binnenvaart is komen versterken.

De toevloed van die kant dateert van na de Oosteuropese omwenteling (eind '89), toen burgers uit het voormalige Oostblok de mogelijkheid kregen naar Westerse landen te trekken. Het verschijnsel werd versterkt door de oorlog in ex-Joegoslavië, waardoor de vaart op de Donau grotendeels stil kwam te liggen en Tsjechische scheepslui een extra prikkel kregen naar de Rijn uit te wijken. Daar komt bij dat buitenlandse matrozen en ander personeel geen verblijfsvergunning nodig hebben, omdat hun schip, varend tussen Rotterdam en Bazel, niet als vaste verblijfplaats geldt. Een officiële werkvergunning is evenmin vereist zolang men onder de 183 werkdagen per jaar blijft.

Maar er blijkt ook een diepzwarte schaduwkant aan te zitten. Diverse louche bureautjes maakten handig gebruik van de nieuwe mogelijkheden door Tsjechisch personeel te ronselen en ver onder het gangbare loon en zonder afdracht van sociale premies en belasting aan Nederlandse schippers te slijten. Zo'n geval kwam begin vorig jaar aan het licht, toen in Gorcum twee 'bemiddelaars' op verdenking van grootscheepse fraude werden aangehouden. Ze ontvingen, aldus de politie destijds, 800 Duitse mark per geleverde werknemer en betaalden slechts 300 DM aan loon uit. Het gerechtelijk vooronderzoek in deze zaak is nog gaande.

Met politie en justitie is ook de vakbeweging gebeten op dit soort praktijken. Frank Kloosterman van de Vervoersbond FNV in Rotterdam spreekt van 'uitbuiting' en 'pure mensenhandel': “Dit hebben we eerder meegemaakt met Kaapverdianen en nu zijn de Tsjechen weer de klos. Die mensen worden gruwelijk onderbetaald. Stel dat ze netto zo'n 900 DM per maand krijgen, dan is dat maar een derde van het gangbare loon.” En hij rekent voor dat een Nederlandse matroos die per jaar 25 diensten van zeven dagen draait, krachtens de binnenvaart-cao circa 3000 gulden per maand hoort te krijgen.

Ook het bureau van Kurt Marris schaart hij onder de de malafide bedrijfjes, maar de man uit Echteld, die vroeger als schipper op de Nedlloyd 51 voer, wijst elke beschuldiging van de hand: “De Tsjechen die wij plaatsen, houden per maand minstens 1500 gulden over met vrije kost en inwoning. Die 3000 die de vakbond noemt is een illusie. Er is geen rederij die bij de heersende lage vrachtprijzen zoveel uitbetaalt. Dan zouden ze binnen een week failliet zijn. En wat de sociale premnies betreft: die worden keurig volgens het boekje afgedragen. Ja, ik weet dat er ook obscure bureautjes zijn die met alle regels de hand lichten, maar wij werken fatsoenlijk en volstrekt legaal.”

Behalve matrozen en dekknechten levert Marris ook bedienend personeel voor zogenoemde hotelschepen die met passagiers de Rijn op- en afvaren. Een van de firma's die van zijn diensten gebruik maken, is de Rotterdamse rederij Rijnvakantie, met vijf schepen de grootste van Nederland. “In dit wereldje”, zegt directeur J. Mudde, “is nogal wat kaf onder het koren in de vorm van koppelbazen die de regels aan hun laars lappen, maar met Marris hebben we de beste ervaringen. Ik denk dat we dit seizoen tien à vijftien Tsjechische meisjes door zijn bemiddeling aan boord hebben. Niet omdat ze goedkoper zijn, maar omdat de vacatures niet met Nederlands personeel te vullen waren.”

Kloosterman van de Vervoersbond FNV getuigt ook in dit geval van grote achterdocht: “Het zijn vooral de marginale bedrijven, waaronder de passagiersvaart, die goedkoop personeel uit Tsjechië aantrekken om hun variabele kosten te drukken. Wat die jonge meisjes aan tijden maken, grenst aan het ongelooflijke. Tegen een minimumloon moeten ze 24 uur per dag beschikbaar zijn en dan hebben ze ook nog te maken met seksuele intimidatie. Kortom, de arbeidsomstandigheden aan boord zijn bedroevend slecht en dat verklaart waarom van Nederlandse kant de animo voor dit soort baantjes zo klein is.”

Kloosterman schat dat bureaus als dat van Marris per geleverde werknemer minstens 300 gulden per maand overhouden. 'Bloedgeld' noemt hij die bemiddelingssom, een term waartegen Marris heftig protesteert: “We houden er inderdaad zo'n 300 gulden per maand van over, maar daar moeten aanzienlijke personeelskosten af. We hebben twee chauffeurs in dienst, een bureaumanager in Praag, een boekhouder en een secretaresse. Dan blijft er niet zo veel van dat 'bloedgeld' over. Dit werk geeft een leuke boterham, dat wel, maar je wordt er niet rijk van.”

Of ook Marris met zijn Tsjechische SRO in de verdachte hoek zit, zou de politie moeten weten. C. Langendoen, coördinator afdeling rivieren van de waterpolitie in Dordrecht, denkt van niet: “Destijds bij die Gorcumse affaire is Marris zijdelings bij het onderzoek betrokken geweest. Later heeft hij een andere opzet voor zijn organisatie gekozen door vanuit Praag te gaan werken. Zo is zijn firma gelegaliseerd en als hij conform de Nederlandse wet zijn sociale premies en belastingen afdraagt, hoeft hij zich niet aangesproken te voelen.”

En dat voelt Marris zich allerminst. “Ik heb werkelijk niets te verbergen”, betoogt hij in het Dordtse wegrestaurant, “maar waar ik veel last van heb, is dat geruchtencircuit onder de Rijnschippers, die elkaar per marifoon van alles doorkakelen. Als je in Rotterdam een scheet laat, heb je in Bazel je broek vol. Ik zou met ettelijke miljoenen verdwenen zijn. Ik zou met een paar Tsjechische meisjes op het strand van de Bahama's liggen. Ik zou gevangen zitten. Er is allemaal niets van waar. Hier zit ik, open en bloot, en straks rij ik weer naar Praag.”