Spaanse overdenkt in anonimiteit haar leven; In schilderachtig gepeins verzonken

Vogel van het geluk (El pájaro de la felicidad). Regie: Pilar Miró. Met: Mercedes Sampietro, Aitana Sànchez-Gijon.

De vrouw om wie alles in de nieuwe film van Pilar Miró draait, is iemand die in de Spaanse samenleving waarschijnlijk nog iets meer te bevechten heeft dan hier: niet alleen is ze economisch zelfstandig, maar tevens in staat om zonder katholieke wroeging een relatie te beginnen - en daar ook weer zonder veel misbaar een eind aan te maken. Toch ademt El pájaro de la felicidad, hier uitgebracht onder de titel Vogel van het geluk, vooral de sfeer van vanzelfsprekendheid. Het is, lijkt Miró te willen zeggen, heel gewoon dat deze vrouw haar eigen beslissingen neemt. Alle pamflettisme is de film vreemd.

In de openingsscène is de vrouw, Carmen genaamd, op bezoek bij de zoon uit haar eerste huwelijk en diens vriendin. Hij heeft voor het eerst na lange tijd weer contact met zijn moeder gezocht; niet omdat hij verlangde haar weer te zien, maar omdat hij geld nodig heeft. Na een ietwat bedrukt verlopen etentje loopt ze naar haar auto en wordt door twee ongure types verkracht. Als haar nieuwe vriend vervolgens niet begrijpt dat ze geen zin heeft in een vrolijke visite, loopt ze van huis weg en neemt haar intrek in een hotel. In die anonimiteit overdenkt ze haar leven. Ze bezoekt haar eerste man, die ogenschijnlijk gelukkig is met een ander, en haar ouders die het leven na de dood van Franco een stuk onbehaaglijker vinden. Tenslotte vindt ze, ver van de grote stad, een eigen huis.

Pilar Miró, die een leidende functie in de Spaanse filmwereld vervulde en drie jaar lang directeur van de Spaanse staatsomroep was, maakte al eerder films met de actrice Mercedes Sampietro - veelal nogal cerebraal in beeld gebrachte vrouwenportretten, die buiten Spanje geen massaal publiek trokken. Ook nu registreert Miró haar hoofdpersoon in alle rust, vanaf een afstand, met veel totalen. Er hangt iets landerigs over de landschappen die Carmens gemoedstoestand moeten illustreren. Ook is zij vaak in schilderachtig gepeins verzonken. De gebeurtenissen voltrekken zich bijna als een natuurverschijnsel, in verstilde ensceneringen en in een taal die zich iets boven de doordeweekse conversatietoon verheft. Niet voor niets wemelt de film van de symbolische verwijzingen naar literatuur en schilderkunst: Carmen baant zich, Angel González citerend en Murillo restaurerend, een weg door het bestaan. Het is niet uitgesloten dat dit voor een Spaanse toeschouwer méér betekent dan voor mij.

Mercedes Sampietro is een actrice die niet licht valt te vergeten. Tot in de kleinste finesses heeft ze zich met deze Carmen vereenzelvigd, van het zoekende personage uit het begin tot de vrouw die tenslotte aanvaardt dat ze niet langer afhankelijk van anderen moet zijn. Maar het kostte mij, vooral door de uiterlijk onbewogen beelden (van cameraman José Luis Alcaine, die eerder met Carlos Saura werkte), hoe langer hoe meer moeite in haar ontwikkelingsgeschiedenis mee te gaan.