Pasuckquakkohowog met een bal van hertehuid

ROTTERDAM, 8 JUNI. De Verenigde Staten hebben geen professionele voetbalcompetitie en geen voetballers van absolute wereldklasse. En de gemiddelde Amerikaan denkt bij de vrijwel overal elders in de wereld ingeburgerde voetbalterm hattrick eerder aan een truc met een hoed dan aan drie doelpunten van dezelfde speler in een helft.

Maar wie meent dat het land waar over ruim een week het wereldkampioenschap begint geen voetbalgeschiedenis heeft, vergist zich. Toen de Pilgrim-fathers in 1620 in New England arriveerden, kwamen zij er al snel achter dat de plaatselijke bevolking graag een spelletje speelde dat verrassend veel op voetbal leek. Alleen noemden zij het anders: pasuckquakkohowog.

Kolonist William Wood schreef in zijn in 1634 verschenen boek New England Prospect dat die locals indianen waren die in de zomermaanden samen kwamen om te voetballen. Pasuckquakkohowog betekent vrij vertaald ook 'zij die samenkomen om te voetballen'. Dat gebeurde meestal op lange, brede zandstranden, waarbij gebruik werd gemaakt van een bal van hertehuid, die was gevuld met hertehaar. Een in het zand getrokken lijn deed dienst als middenlijn en houten palen werden gebruikt als doel. Volgens Wood speelden teams tegen elkaar die soms uit dertig, maar soms ook uit wel duizend spelers bestonden. Dat laatste was vooral het geval als het ene dorp tegen het andere uitkwam. Daarbij was het niet ongebruikelijk dat de inzet van het spel betwist grondgebied was, waarbij de winnaar er een stukje land bij kreeg. 'Maar van ongeregeldheden was daarbij vrijwel nooit sprake', noteerde Wood in zijn boek.

De eerste georganiseerde voetbalclub in Amerika werd in 1862 opgericht in Boston. Een gedenkteken in Boston Common herinnert nog steeds aan de Oneida Football Club, die in het oudste park van de Verenigde Staten zijn wedstrijden speelde. In de jaren daarvoor werd een op voetbal lijkende sport (ballown genoemd) ook al druk beoefend op de universiteit van Princeton. In 1869 werd de eerste officiele wedstrijd tussen twee Amerikaanse universiteiten gespeeld. Bij die gelegenheid werden ook voor het eerst de spelregels van de FA, de Engelse voetbalbond, gehanteerd.

Rond 1920 kwam voetbal vooral tot bloei in industriesteden, waar veel met de sport vertrouwde immigranten uit Europa zich hadden gevestigd. Tientallen clubs werden opgericht, waardoor ook in competitieverband kon worden gespeeld. Er ontstond zelfs een professionele competitie die zeer in trek was bij voetballers uit Engeland, omdat zij in Amerika drie keer zo veel konden verdienen als in hun eigen land. De clubs hadden een grote, enthousiaste aanhang, die overigens ook regelmatig in negatieve zin van zich liet horen.

De auteur Paul Gardner schrijft daarover in zijn boek The simplest game. Volgens Gardner is hooliganism niet, zoals veel Amerikanen denken, enkel een Europees fenomeen. Hij stelt dat de sport in Amerika al aan het eind van de jaren twintig 'een imago van relschopperij, waarbij ook regelmatig scheidsrechters werden gemolesteerd'. Een kop in de New York Times van 20 april 1927 _ naar aanleiding van een duel tussen Uruguay en een club uit Boston _ verwijst daar naar: Four hurt in riot at soccer contest. In het artikel vermeldt de krant verder dat een van de teams onder politie-begeleiding de kleedkamers moest opzoeken, omdat woedende toeschouwers het veld opkwamen. Opzienbarend was het artikel overigens niet: in die tijd verschenen regelmatig berichten in dagbladen over uit de hand gelopen voetbalwedstrijden.

De (vooral regionale) populariteit van het voetbal in de Verenigde Staten werd geillustreerd door de kwalificatie van Amerika voor het wereldkampioenschap van 1930 in Uruguay. Maar the Great Depression, onenigheid tussen de inmiddels gevormde verschillende bonden en uitsluiting van voetbal voor de Olympische Spelen van 1932 in Los Angeles, deden de sport in eigen land geen goed: voetbal verloor de aandacht van het publiek en werd als gevolg daarvan al gauw een marginale sport.

Toch deed 'voetballend Amerika' _ al was dat vooral buiten de eigen landsgrenzen _ nog een keer van zich spreken. Dat was in 1950, bij het wereldkampioenschap in Brazilie. Amerika trof als eerste tegenstander Engeland, dat net lid was geworden van de FIFA (Amerika was dat, als een van de eerste landen, al sinds 1913) en voor het eerst op een WK acte de prsence gaf. De Engelsen, tenslotte de uitvinders van het spel, waren de torenhoge favoriet tegen de Amerikaanse amateurs, die in het dagelijks leven postbode, begrafenisondernemer of fabrieksarbeider waren. Maar Amerika won tot ieders verrassing met 1-0. “Als ik niet zelf de leiding over deze wedstrijd had gehad”, zei de Italiaanse scheidsrechter na afloop van het in Belo Horizonte gespeelde duel, “zou ik de uitslag nooit hebben geloofd. Wie het me ook had verteld.”

Toch kon ook dat resultaat niets veranderen aan het inmiddels wijd verbreide gedachtengoed dat voetbal de Amerikanen eigenlijk koud laat. De mislukking in de jaren tachtig van de professionele North American Soccer League _ ondanks de deelneming van spelers als Pele, Cruijff en Beckenbauer _ heeft dat idee alleen maar versterkt. “Van tijd tot tijd”, schreef de inmiddels overleden historicus van de Amerikaanse voetbalbond Sam Foulds eens, “horen we dat voetbal geen traditionele Amerikaanse waarden heeft. Dit idee leeft vooral onder mensen die naar Amerika zijn geemigreerd en denken dat voetbal een relatief nieuwe sport in de Verenigde Staten is. Maar soccer was Amerika's oorspronkelijke vorm van football.”