OM - verder op drift

DE AANWIJZINGEN stapelen zich op dat de spraakmakende ontploffing van het Interregionaal rechercheteam Noord-Holland/Utrecht niet een incidenteel bedrijfsongeval is geweest. Ver buiten het Amsterdamse verzieken eigen agenda's en onderlinge machtsstrijd de rechtshandhaving. Zelfs nadat de kwestie twee ministers hun positie heeft gekost blijft het IRT-virus voortwoekeren, getuige de poging van procureur-generaal Gonsalves de hem door de afgetreden minister van justitie Hirsch Ballin toebedachte centrale leiding van de strijd tegen de zware criminaliteit alsnog binnen te halen.

De nieuwe demissionaire minister van justitie, Kosto, heeft dit gambietje terecht snel ongedaan gemaakt en de nieuwe opzet van de criminaliteitsbestrijding verwezen naar het nieuwe kabinet, waar een dergelijke delicate aangelegenheid ook thuishoort. Dat het daarom inderdaad gaat, blijkt nu uit het langverwachte rapport van de Commissie-Donner over het functioneren van het Openbaar Ministerie (OM). Dit wil de procureurs-generaal in feite afschaffen en vervangen door een driemanschap onder leiding van een “direct aanspreekbare” voorzitter - géén procureur-generaal. De centrale leiding hoeft zelfs niet uit de kring van het OM of het strafrecht te komen. Dit detail illustreert de omvang van de cultuurbreuk.

Op zichzelf trekt het rapport een bestaande trend door. Het OM schuift steeds verder weg van het werk aan concrete strafzaken en krijgt allerlei nieuwe, bestuurlijke taken. Toch is het uitdrukkelijk de bedoeling van de commissie dat dit orgaan “organisatorisch en juridisch op afstand van de minister van justitie” blijft staan, lees: van de regering. Terecht waarschuwt het rapport: “Strafrechtelijke handhaving mag niet het exclusieve instrument worden van de heersende politieke meerderheid.” Maar de oplossing die de commissie voorstaat doet denken aan het grapje van de Amerikaanse filmkomiek Woody Allen: “Het antwoord is ja, maar wat was de vraag ook weer?”

VIJF JAAR GELEDEN bleek uit een onderzoek naar publieke opinie en misdaad dat de bevolking nauwelijks belangstelling had voor het Openbaar Ministerie. Dat dit intussen grondig is veranderd houdt vooral verband met ongenoegen over verdachten die de dans ontspringen door cellengebrek of zogeheten vormfouten. Vooral dit laatste duidt op een kwaliteitsprobleem in de strafrechtspleging. De IRT-affaire heeft ook nog eens de waarborgfunctie van het OM bij de bewaking van de integriteit en van de rechtmatigheid van zeer gevoelig politie-optreden in geding gebracht. Alleen al het gemak waarmee sommige officieren van justitie praten over het gebruik van buitenwettelijke methoden door de politie illustreert de noodzaak de band van het OM met de rechter te versterken.

Een centraal driemanschap maakt die band onmiskenbaar losser. De nieuwe leiding heeft immers met geen rechterlijk college van doen, maar zij gaat wèl beschikken over een aanwijzingsbevoegdheid naar alle officieren van justitie. De rol van de rechter in de rechtshandhaving wordt ook steeds marginaler, zegt de Commissie-Donner. Kwantitatief is dat zeker waar. Het OM doet al veel meer zaken af dan de rechter. Soms gaat het daarbij om niet geringe bedragen. Maar is dat niet juist een argument om het rechterlijke element van dit orgaan te versterken? Het rapport doet wel erg wegwerpend over de “strafrechtelijke mono-cultuur” binnen het OM. Toch moet het gezag van het OM het daar ook in alle nieuwe externe relaties van blijven hebben. De gedachte om het OM nieuwe wettelijke bevoegdheden op het gebied van de rechtshandhaving toe te kennen wordt met zoveel woorden afgewezen.

Het voorstel een landelijk parket in te stellen voor interregionale en landelijke politiezaken brengt bovendien de veelbesproken 'Nederlandse FBI' een stap dichterbij. Volgens sommigen is de vergelijking misplaatst: “De FBI is onze maat niet.” In politieke kring bestaat van oudsher grote weerstand om politiediensten te verzelfstandigen. De vraag lijkt nog niet beantwoord of een losse hoofdofficier van justitie die direct onder een verzelfstandigd driemanschap valt voldoende vastigheid biedt.

'RENDEMENT' en 'effectiviteit' zijn voor de Commissie-Donner de centrale kwesties. Daarmee sluit zij aan bij het spraakgebruik van de afgelopen kabinetsperiode, waarin veel te doen is geweest over het 'handhavingstekort'. Dat is ook niet zonder belang. Maar de commissie miskent het gevaar van de “handhavingsspiraal of -paradox”, waarvoor de Utrechtse hoogleraar Vervaele eerder dit jaar indringend waarschuwde: naarmate er met de rechtshandhaving meer wordt beoogd, schijnt die minder aan te kunnen. Dit frustreert niet alleen de rechtshandhaving maar tevens het vertrouwen van de burger in recht en samenleving.

Het gevaar is niet denkbeeldig dat het OM onder centrale leiding alleen maar verder op drift raakt.