Nonchalance

Er zijn namen die eenvoudigweg vragen om moeilijkheden, qua spelling. Een naam als Matthijssen komt in het telefoonboek ik geloof in elfvoud voor.

Sinds wanneer mensen erop toezien dat hun naam correct gespeld wordt - ook mensen voor wie een zekere bekwaamheid in het spellen geen dagelijkse noodzaak is - weet ik niet precies. Onder Napoleon werd de (eenmalige) keuze van een achternaam verplicht, zoals bekend. Voortschrijdende alfabetisering plus een almaar toenemende behoefte aan eenduidige registratie hebben ons gebracht waar we zijn.

Het, ik geef toe: niet wereldschokkende, vraagstuk kwam bij me op toen ik op mijn dooie gemak een boek las, dat een paar maanden geleden verschenen is en over de 17de-eeuwse schilder en schrijver Samuel van Hoogstraten gaat. Het is een boek dat me nogal beviel, omdat het zo gedempt en zo nauwkeurig is. Een ander zou het misschien saai vinden, maar ik vond het af en toe prettig om zo'n van alle theorie en alle speculatie verstoken monografie te lezen.

Het boek heet De schilder & schrijver Samuel van Hoogstraten, de auteur is Michiel Roscam Abbing. Het behelst de eigentijdse bronnen en het oeuvre van gesigneerde schilderijen. De onberispelijke nauwkeurigheid van deze monografie zorgde ervoor dat zich in mijn hoofd weldra een lijstje begon te vormen van de vele signaturen van Van Hoogstraten, hoewel de auteur zich ook op dit punt op de meest bewonderenswaardige manier van commentaar of interpretatie onthoudt. De lezer moet het zelf, als hij dat wil, tot kwestie maken.

Van 1644 tot 1666 komt hij deze varianten tegen; Van Hoochstraten; S. van Hoogstraten; S. van Hoogstraaten; S.V. Hoogstrate; S. van Hoogstratens; S. de Hoogstraten; S. van Hoogstrat. De laatste tien jaar, tot Van Hoogstratens dood, heeft hij zich bijna uitsluitend bediend van initialen en ook die in vrijwel elke denkbare variatie. (Met en zonder punt of punten, en van een vaak verrassend hoofdlettergebruik.)

Dat deed de schilder dus zelf. Net als iedereen destijds, krijg ik de indruk. Het gaf gewoon niks. Ook in de geciteerde eigentijdse bronnen zie je hoe er in drie mededelingen over geboorte en dood van de vader van Van Hoogstraten drie verschillende spellingen rondvlinderen. In de bewaarde notariële beschikkingen is het niet anders. Op een en dezelfde dag kon iemand dezelfde naam op drie manieren schrijven. Met andere woorden, “dezelfde” naam - dat bestond nog niet.

Ik heb er als museumbezoeker nooit zo erg op gelet hoe bijvoorbeeld Rembrandt nu eigenlijk signeerde, of hoe hij in kunsthistorische literatuur door zijn tijdgenoten genoemd werd. Rembrand, Rembrandt of Rembrant? Gary Schwartz nog eens goed lezen.

Maar het is juist die contemporaine, benijdenswaardige slordigheid - driehonderd jaren verwijderd van groene boekjes en stijlboeken, nationale dictees en spellingsdebatten - die het in 't geval van Van Hoogstraten ook nog eens onmogelijk maakt om die ogenschijnlijk zo simpele vraag te beantwoorden; hoe hij zijn naam schreef. De zaak wordt in zijn geval extra gecompliceerd doordat hij zoveel trompe-l'oeil's geschilderd heeft. Want sommige van al die slordige spellingen van zijn naam zouden strikt genomen gezien kunnen worden als van aanhalingstekens voorzien; als evenzovele knipogen. Het zijn in feite geschilderde citaten. De manieren en de plekken waarop Van Hoogstraten zijn trompe-l'oeil's signeerde zijn namelijk zeer weloverwogen gekozen. Nu eens fungeert een brief - in een rekje gestoken en leesbaar aan hem gericht - als signatuur, dan weer is het een manuscript van zijn hand dat een onopvallend deel uitmaakt van de compositie.

Hij was, en ging er prat op, een geletterd man: dichter, toneelschrijver, en auteur van het Nederlandse schildershandboek van zijn tijd. Zijn toen al dan niet zeer gebruikelijke grote nonchalance tegenover de eigen naam blijft verbluffend. Tegenwoordig geldt het als onhoffelijk zo niet onheus wanneer een briefschrijver niet de moeite heeft genomen om de correcte spelling van iemands naam te achterhalen. Zozeer zijn naam en persoonlijke identiteit voor ons vervlochten geraakt. Terwijl niets van dat alles in Van Hoogstratens eeuw het geval kan zijn geweest, met een spelling zo bestendig als het weer.