Ministers zien Oeso-rapport werkloosheid als evenwichtig

PARIJS, 8 JUNI. De kritiek die de Organisatie voor Economische Samenwerking (OESO) in haar gisteren verschenen werkgelegenheidsrapport heeft geuit over het gebrek aan aanpassingsvermogen van de rijke industrie landen, is in de ogen van de betrokken regeringen hard maar terecht. Dat blijkt uit de reacties van de gisteren in Parijs verzamelde minsters van economische en sociale zaken. De Nederlandse minister De Vries (sociale zaken) sprak van “een evenwichtig rapport, met evenwichtige conclusies”. Zijn collega Andriessen (economische zaken) roemde de eenstemmigheid in de ministerraad. “We hebben de oplossingen op tafel, nu moeten we zorgen dat ze overgedragen worden”.

In de gezamenlijke verklaring die de Oeso gistermiddag uitgaf, voert eenstemmingheid de boventoon. De ministers erkennen dat bestrijding van de werkloosheid de komende jaren in de industrielanden absolute prioriteit moet krijgen en dat economisch herstel - waarvan de steeds duidelijkere signalen bij de aanwezige ministers tot opgeluchte reacties leidden - niet voldoende is om deze problemen op te lossen. De ministers zeggen in de verklaring te “erkennen dat de huidige situatie zowel het gevolg is van de recente recessie als van structurele tekortkomingen in de lidstaten. Belangrijkste daarvan is het ontoereikende en trage aanpassingsvermogen van de lidstaten aan de snelle veranderingen op het gebied van technologische vooruitgang, concurrentie en globalisering.”

In het werkgelegenheidsrapport - waar de OESO twee jaar aan heeft gewerkt - ontkomt dan ook geen enkele van de 25 lidstaten aan ten minste een kritische kanttekening. Zo roemt de organisatie weliswaar de werking van de Amerikaanse arbeidsmarkt, waar de hoge mobiliteit er zorg voor draagt dat mensen die hun werk kwijt raken over het algemeen weer in korte tijd in een andere baan aan de slag kunnen en waar de innovatiekracht van het bedrijfsleven er toe heeft kunnen bijdragen dat het land een goede positie heeft gekregen op het terrein van technologisch hoogwaardige produkten, maar tegelijkertijd wijst de OESO erop dat de bescherming van sociaal zwakkeren in de VS te wensen overlaat. Een kritiek die gisteren door de Amerikaanse minister van werkgelegenheid, Robert Reich, werd gedeeld. Hij zei in de ministerraad “natuurlijk” blij te zijn met het feit dat de Amerikaanse arbeidsmarkt weer zo is aangetrokken, maar waarschuwde ervoor dat een groot aantal van die banen op zich kwalitatief vaak te weinig voorstelt. Daardoor is een situatie ontstaan waarbij veel Amerikanen ondanks het feit dat ze een inkomen uit werk hebben toch onder de armoedegrens terecht komen, zo geeft de OESO in haar rapport aan.

Evenals in de VS maakt men zich ook Japan eerder zorgen over de kwaliteit dan over de kwantiteit van het werk, zo bleek gisteren uit de Japanse reactie. Dat het land erin is geslaagd om het laagste werkloosheidspercentage van alle industriele landen te halen - drie procent, tegen ruim zes procent in de VS en ruim 11 procent in Europa - is voor een aanzienlijk deel te danken aan het feit dat bedrijven ook in economisch slechte tijden hun werknemers in dienst houden. Daarmee wordt de echte werkloosheid versluierd, constateert de OESO.

De meeste kritiek uit de OESO echter toch in de richting van Europa. Daar zijn de rigiditeiten - in de vorm van het minimumloon, de algemeen-verbindendverklaring van CAO's, de sociale zekerheid - zo ver in de maatschappij doorgedrongen dat zij de noodzakelijke aanpassingen aan veranderende omstandigheden niet langer mogelijk maken. Daarmee is volgens de OESO niet gezegd dat deze instrumenten geen waarde hebben en dus in hun totaliteit moeten worden afgeschaft, maar nationale overheden moeten - in samenspraak met de sociale partners - deze regelgeving wel tegen het licht houden en waar nodig aanpassen.

Die aanbevelingen stroken volgens minister De Vries met het beleid dat op dit moment in Nederland wordt gevoerd. “Ik ben er heel blij mee dat de OESO zegt dat er een evenwicht nodig is tussen sociale bescherming en flexibiliteit”, aldus De Vries na afloop van de vergadering en de gezamenlijke ministerslunch. De Vries, die zich de afgelopen kabinetsperiode al vaak hard heeft gemaakt voor meer flexibiliteit - zo is de arbeidtijdenwet inmiddels verruimd, is er een wetsvoorstel voorbereid om de ontslagbescherming op de helling te zetten en wordt het vergunningenstelsel voor arbeidsbemiddelaars versoepeld - beschouwt het Oeso-rapport dan ook “als een steun in de rug die ertoe kan bijdragen om meer draagvlak voor veranderingen te creëren”.

Over de mate waarin Nederland zich aangesproken moet voelen door de kritische analyse van de OESO blijven De Vries en Andriessen wat vaag: “We liggen ten opzichte van een aantal landen misschien wel een stapje voor, maar het blijft een klein stapje”, aldus Andriessen.

Van bescheidenheid was gisteren in het Britse kamp geen sprake. Minister van financiën Clarke liet tegenover journalisten weten dat het werkgelegenheidsheidsrapport “volledig overeenstemt met het door ons gevoerde beleid.” Hij zei zich verbaasd te hebben over de veranderde stemming onder de ministers in vergelijking met vijf, zes jaar geleden. “Er is een duidelijke verschuiving te zien in de richting van onze standpunten”, aldus Clarke.

Die uitspraak - die voornamelijk bedoeld leek om de Engelse kiezers voor het Europarlement gunstig te stemmen - werd enige uren later door de fungerende Ierse OESO-voorzitter Ahern sterk gerelativeerd. “Ik heb niet het gevoel dat er een lidstaat is die de afgelopen jaren heeft bewezen de beste oplossing in huis te hebben. Evenmin is er een lidstaat geweest die op essentiële onderdelen van het rapport zijn individuele mening heeft kunnen doordrijven”.

Voor de lidstaten is nu het uur van de waarheid aangebroken. Nog voor het einde van de zomer wil de OESO per land een globale analyse hebben gemaakt, waarin de indivuele problemen en mogelijke oplossingen worden besproken. Wat dat voor Nederland zal betekenen, wilde minister De Vries gisteren nog niet zeggen. “We hebben al veel gedaan, maar er moet zeker nog het nodige gebeuren”, aldus de bewindsman.