Melding kindermishandeling na grote campagne gestegen

AMSTERDAM, 8 JUNI. 'Over sommige geheimen moet je praten' was het motto van de landelijke campagne tegen kindermishandeling die in het schooljaar 1991-1992 werd gevoerd. De kinderen hebben gepraat. Ruim drieduizend draaiden het nummer van de kindertelefoon. Bij de Bureaus Vertrouwensarts nam het aantal meldingen van vermoedens van kindermishandeling met 25 procent toe ten opzichte van dezelfde periode een jaar eerder.

Dat bleek gisteren bij de presentatie van de resultaten van de campagne die zich vooral richtte op kinderen van acht tot en met veertien jaar. Het initiatief voor de campagne ging uit van het Landelijk Overleg Kindertelefoons (LOK), de Landelijke Stichting Buro's Vertrouwensarts inzake Kindermishandeling, de Nederlandse Vereniging voor Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg, de Vereniging tegen Kindermishandeling en de Vereniging tegen Seksuele Kindermishandeling.

Naar schatting 50.000 kinderen in Nederland worden regelmatig mishandeld. Van hen zijn er 20.000 tussen de acht en veertien jaar oud. Ruim 4 procent van hen gaf gehoor aan de oproep om iemand in vertrouwen te nemen. De mishandelingen variëren van slaan, emotionele verwaarlozing tot seksuele mishandeling.

De elf Bureaus Vertrouwensarts en de 21 kindertelefoons die ons land telt, namen aan het onderzoek deel. Ook leerkrachten werden benaderd, maar bij een groot aantal van hen was de animo om mee te doen gering. Onderzoeker C. Hoefnagels wees er gisteren op dat in universiteitssteden leerkrachten al zo vaak worden gevraagd aan een onderzoek mee te werken, dat vermoeidheid optreedt.

De kindertelefoons kregen 3185 reacties. In 2176 gevallen maakten de kinderen melding van lichamelijke en in 1131 gevallen van seksuele mishandeling. Vóór de campagne werd er iets vaker gebeld over seksueel misbruik dan over lichamelijke mishandeling. Er belden twee keer zoveel meisjes als jongens, maar meisjes bellen sowieso vaker over allerlei onderwerpen, aldus Hoefnagels. In negen van de tien telefoongesprekken bestond de indruk dat de mishandeling gaande was of dat de kans dat het zou gebeuren aanwezig was. In de meeste gevallen was er sprake van één pleger, aldus Hoefnagels. Vaders en moeders werden veruit het meest genoemd.

Via de scholen kwamen 350 meldingen binnen. Volgens Hoefnagels blijven vermoedens over kindermishandeling te lang in de “binnencirkel” van de school. Hij pleit ervoor schoolartsen eerder in te schakelen. Het onderwerp moet bovendien hoger op de schoolagenda komen te staan. “Aandacht voor kindermishandeling lijkt nu een persoonlijke keuze van de leerkracht in plaats van een professionele keuze van de school. Slechts een op de tien leerkrachten zegt dat er op haar of zijn school afspraken bestaan over de omgang met een mishandeld kind in de klas of bij een vermoeden van kindermishandeling”, zegt Hoefnagels.

Prof. H.E.M. Baartman, hoogleraar preventie en hulpverlening aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, vroeg zich af of de campagne voldoende vruchten heeft afgeworpen. Hij stelt de vraag of het in vertrouwen nemen van een ander ook een eind aan de ellende maakt. “Dat konden we in dit onderzoek niet nagaan.” Ook is geen inzicht verkregen in het aantal kinderen dat niet de telefoon heeft durven oppakken. “Er is echter weinig fantasie voor nodig om te bedenken dat de meesten het niet of nog niet gedurfd hebben in de periode waarin wij bezig waren te tellen”, zei hij.