Europarlement is geen echt parlement

BRUSSEL, 8 JUNI. Nederland, Denemarken, Groot-Brittannië en Ierland bijten morgen het spits af bij de vierde rechtstreekse verkiezingen - sinds 1979 - van het Europese Parlement. De burgers uit de overige lidstaten van de Europese Unie kiezen aanstaande zondag hun vertegenwoordigers. Pas dan ook wordt de volledige uitslag bekendgemaakt en krijgen de nationale politici een indicatie hoe populair Europa nog is.

Alleen in België, Luxemburg en Griekenland is de gang naar de stembus verplicht. Bij de vorige Europese verkiezingen in 1989 bedroeg het opkomstpercentage in Nederland 47,5 procent. Slechts Groot-Brittannië (36,2 procent) en Denemarken (46,1 procent) scoorden toen lager.

Het nieuwe parlement zal bestaan uit 576 afgevaardigden, 58 meer dan nu nog het geval is. Die uitbreiding is een gevolg van de Duitse eenwording. Duitsland levert met 99 zetels de meeste parlementariërs, gevolgd door Frankrijk (87), Italië en Groot-Brittannië (beide 81 zetels). Nederland zal 31 afgevaardigden tellen in Straatsburg, 6 meer dan in het oude parlement.

Zet men het aantal parlementariërs af tegen de bevolkingsomvang per land, dan is Duitsland het slechtst vertegenwoordigd, met één Europarlementariër per 819.200 inwoners. Luxemburg staat op dat lijstje ver bovenaan: elke 65.000 inwoners zijn daar goed voor één Europarlementariër. Nederland neemt met één afgevaardigde per 495.300 inwoners een middenpositie in.

De 25 zetels die Nederland nu nog heeft, zijn verdeeld over CDA (10), PvdA (8), VVD (3), D66, Groen Links, De Groenen en de SGP (ieder 1 vertegenwoordiger). De grootste fractie in het huidige Europarlement wordt gevormd door de socialisten, waartoe ook de PvdA behoort. De socialistische fractie telt 198 leden, gevolgd door de christen-democratische fractie EVP (waarbij het CDA is aangesloten) met 162 zetels. De derde partij - Liberale en democratische fractie - blijft steken op 44.

Het Europese Parlement - de 'schoonmoeder' van alle parlementen - is geen echt parlement, al was het alleen maar omdat de Europese volksvertegenwoordigers in de meeste gevallen niet het laatste woord hebben in de besluitvorming op Europees vlak. Ook heeft het Europarlement geen 'initiatiefrecht', dat is voorbehouden aan de Europese Commissie. Toch is de invloed van het Europarlement niet onbelangrijk, getuige alleen al de honderden lobbyisten die de werkzaamheden in het parlement en in de verschillende commissies nauwgezet in de gaten houden.

Het belangrijkste is wellicht de controlerende rol van de Europarlementariërs, niet alleen op de Europese Commissie en de andere instellingen van de EU, maar ook op de uitvoering van het communautaire beleid in en door de lidstaten. De Europese commissarissen zijn verplicht te antwoorden op schriftelijke of mondelinge vragen van Europarlementariërs.

Het parlement is op z'n sterkst als het dwars kan liggen. Zo kan het een motie van afkeuring aannemen tegen de Commissie, maar het kan zelf geen commissarissen aanwijzen. Het kan goedkeuring van de begroting weigeren - van oudsher het belangrijkste machtsinstrument van het parlement - maar het heeft nauwelijks zeggenschap over de verdeling van de gelden binnen de posten. Bij de besteding van de landbouwsubsidies - ongeveer 60 procent van het totale EU-budget - staan de Europarlementariërs helemaal buiten spel. Daar beslissen de ministers van landbouw zelf over.

Het Europarlement moet instemmen met de toetreding van lidstaten tot de EU, net zoals het zijn goedkeuring moet geven aan associatie-akkoorden met derde landen en aan internationale overeenkomsten. Ook zal het parlement zijn fiat moeten geven aan de benoeming van de nieuwe voorzitter van de Europese Commissie.

De belangstelling van de lobbyisten heeft vooral te maken met de bevoegdheden van het parlement als medewetgever. In de aanloop tot de interne markt - 'Europa 1992' - hebben de Europarlementariërs meer middelen in handen gekregen om - via ingewikkelde advies- en overlegprocedures - voorstellen van de Europese Commissie en besluiten van de ministers te beïnvloeden. Zo is naar schatting de helft van de amendementen die het Europarlement in de loop van de jaren heeft ingediend voor de wetgeving te behoeve van 'Europa 1992' overgenomen door de ministers.

Met het Verdrag van Maastricht hebben de Europarlementariërs op sommige terreinen van gemeenschappelijk beleid zelfs het 'veto-recht' in handen gekregen. Bij zaken als vrij verkeer van werknemers, het vestigingsrecht, onderwijs, cultuur, volksgezondheid, milieu, consumentenbescherming en Transeuropese netwerken kunnen de Europese ministers niet langer om 'Straatsburg' heen.

Los van al deze formele bevoegdheden wordt aan het nieuwe parlement een belangrijke taak toebedacht in de komende discussie over de toekomst van de Europese Unie. Die zal in 1996 uitmonden in een grote intergouvernementele conferentie, waarbij het Verdrag van Maastricht opnieuw op de tekentafel wordt gelegd. Het huidige parlement heeft al geëist dat het een grote inbreng krijgt bij die herinrichting van Europa, al was het alleen maar om zijn eigen positie te verstevigen.