Donner wil openbaar ministerie een gezicht geven

DEN HAAG, 8 JUNI. Negenendertig aanbevelingen telt het vanochtend gepresenteerde rapport van de commissie-Donner, die het functioneren van het openbaar ministerie (OM) heeft onderzocht. En uitgerekend het enige voorstel dat eigenlijk niets te maken heeft met het OM lijkt het meest controversiële.

Ongetwijfeld geïnspireerd door het opzienbarende werk van die andere onderzoeksgroep, de commissie-Wierenga, die recent het feilen van het justitie-apparaat en de politiesamenwerking heeft geanalyseerd, stelt de commissie-Donner voor een landelijk opererend politieteam te vormen.

Om de moeizame verlopende aanpak van de georganiseerde criminaliteit te verbeteren moet de officier van justitie zich meer met het werk van de politieman gaan bemoeien. Wie mocht denken dat de politie uit is op een steeds zelfstandiger positie en zo min mogelijk door justitie voor de voeten wenst te worden gelopen, wordt door de commissie-Donner op andere gedachten gebracht. “Door de uitvoerende politiediensten wordt een sterke behoefte gevoeld aan het gezag van het OM, waaraan niet steeds wordt voldaan”, aldus de onderzoekers. Men pleit voor een beperkte 24-uurs bezetting van de parketten, zodat de officieren van justitie aan het bureau van de politieman kunnen komen tot 'case-screening'.

Tegen de zin van de politie - zo werd de afgelopen weken herhaaldelijk duidelijk gemaakt door de voorzitter van de Raad van Hoofdcommissarissen, korpschef Brand uit Den Haag - is in ieder geval het voorstel om te komen tot de oprichting van een nationaal politieteam dat moet worden ondergebracht bij een nieuw landelijk, twintigste parket. Volgens de commissie, die voor haar werk in de afgelopen zes maanden 135 magistraten, bestuurders, politiemensen en advocaten heeft gesproken, krijgt de bestrijding “van de regionale en zelfs nationale grenzen overschrijdende criminaliteit in de regio's onvoldoende aandacht”.

Zo'n nieuw nationaal politieteam zou echter alleen moeten worden belast met concrete strafrechtelijke onderzoeken, die bovendien “scherp omschreven” moeten worden. Om te voorkomen dat de regio's de aanpak van de georganiseerde misdaad verwaarlozen door die klus uit te besteden aan de nationale politie, is het volgens de commissie “niet wenselijk dat er een grote, zwaar opgetuigde dienst wordt ingericht maar een klein team van wisselende samenstelling dat wordt gevoed vanuit de regio's door detachering”.

Een andere actuele kwestie waar de commissie-Donner zich over uitlaat is het zogeheten pro-actieve opsporingswerk. Daarbij gaat het om zaken als het gebruiken van technische apparatuur voor de observatie van verdachten en het inbreken in loodsen en woningen van verdachten ('inkijkoperaties') om vast te stellen of een officiële, door de rechter-commissaris goedgekeurde, huiszoeking gewenst is. Al deze opsporingsmethodes worden niet in processen-verbaal vastgelegd en kunnen dus niet door de rechter worden getoetst. De commisie wil nu dat er ter beoordeling van deze methodes “een wettelijk kader” komt.

De commissie heeft zich ook gebogen over het gevoelige punt van de verhouding tussen het departement van justitie en het openbaar ministerie. De afgelopen jaren is herhaaldelijk gedebatteerd over de vraag of het OM een zelfstandige buitendienst is van het ministerie of toch vooral een college van onafhankelijke magistraten waar de minister nauwelijks zeggenschap over heeft. Het standpunt van het OM werd gisteren door de Haagse procureur-generaal, mr. W. Sorgdrager, duidelijk verwoord op een congres in Rotterdam waar de top van het vervolgingsapparaat zich boog over het eigen functioneren: “Een van de dingen die in ieder geval moet gebeuren, is het creëren van een meer zelfstandige positie van het OM. Een organisatie met een eigen leiding”.

Op dit punt wordt het OM door Donner naar het lijkt op haar wenken bediend. De huidige leiding van het openbaar ministerie, die bestaat uit een college van vijf gelijkwaardige, ieder voor een rechtsgebied ('ressort') verantwoordelijke procureur-generaal, moet worden vervangen door een nieuw te vormen soort Raad van Bestuur van het OM. Het gaat hierbij om een college van drie à vier leden met een voorzitter die een beslissende stem kan uitbrengen. “Op deze wijze wordt intern een strakkere leiding mogelijk terwijl het OM naar de regering toe een 'gezicht' krijgt met een duidelijk aanspreekpunt”, aldus de commissie.

Die nieuwe topstructuur van het OM lijkt vooral een uitkomst voor de politiek verantwoordelijk bewindsman van Justitie die bij gebleken fouten straks de directeur van het OM kan aanspreken en mogelijk vervangen. Of het OM dus blij moet zijn met die nieuwe constructie is onduidelijk. In een eerste voorlopige reactie laat het openbaar ministerie zich hier niet over uit, maar wijst ze er op dat “een zekere afstand van de minister van justitie noodzakelijk is om voor rechters en justitiabelen geloofwaardig zijn klassieke taken bij opsporing en vervolging te kunnen uitvoeren”. Of aan die voorwaarde wordt voldaan? Daarover zou de top van het OM - PG's en hoofdofficieren van justitie - zich vanmiddag buigen in een Haags hotel.

Over de nieuwe Raad van Bestuur zegt het OM in een schriftelijke reactie voorlopig zuinigjes dat dit de leiding 'kan' versterken. De procureurs-generaal laten weten uit eigen kring een voorzitter te willen aanwijzen. Daarbij kan een strijd om de macht van het OM ontbranden. Een strijd die vorige week al zichtbaar werd toen een vertrouwelijke nota uitlekte waarin staat dat de Bossche procureur-generaal, mr. R. Gonsalves, de zeggenschap opeist over alle interregionale rechercheteams. Dit niet tot genoegen van al zijn collega's.

Over de aanleiding van de instelling van de commissie-Donner, het vermeend grote aantal vormfouten dat justitie maakt, is een apart onderzoeksrapport opgesteld. Uit een analyse van de 220.000 misdrijven die rechters en officieren van justitie over 1992 hebben afgehandeld, blijkt dat in drie procent vormfouten worden gemaakt. Of dat veel of weinig is, zegt de commissie niet. Wel concluderen de onderzoekers dat “de berichtgeving in de media over vormfouten een beduidend somberder beeld geven over het functioneren van het OM dan feitelijk gerechtvaardigd is”.