Commissie-Donner wil centralisering; Advies: drastische hervorming justitie

DEN HAAG, 8 JUNI. Het openbaar ministerie moet drastisch worden versterkt en gereorganiseerd om de kwaliteit van opsporing en vervolging te verhogen. Er moet een landelijk politieteam komen onder beheer van een nieuw te vormen parket. Voorts zou het rijk structureel tachtig miljoen gulden per jaar extra moeten uittrekken voor de aanpassingen bij het openbaar ministerie.

Dat concludeert de commissie-Donner in een onderzoek naar het functioneren van het openbaar ministerie. Het rapport werd vanmorgen aangeboden aan minister Kosto (justitie).

De commissie onder leiding van J.P.H. Donner, voorzitter van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, werd eind vorig jaar op aandringen van de Tweede Kamer ingesteld. De Kamer had zich tijdens de behandeling van de Justitie-begroting 1994 bezorgd getoond over de groeiende aantallen vormfouten en heenzendingen van verdachten.

Het openbaar ministerie moet in de toekomst worden geleid door een landelijk college van drie tot vier leden, zo vindt de commissie. Nu wordt het OM feitelijk geleid door de vergadering van de vijf procureurs-generaal die ieder een ressort beheren. Volgens de commissie hebben de PG's, als hoofd van hun rechtsgebied en als lid van de landelijke PG-vergadering, een “dubbele loyaliteit”: zij zijn verantwoordelijk voor hun ressort, terwijl zij tegelijkertijd in de PG-vergadering een eigen beleidsportefeuille beheren, zoals bij voorbeeld de georganiseerde misdaad. Dat leidt tot “spanningen” die de eenheid van het OM en de besluitvaardigheid belemmeren. De ressorten blijven wel bestaan als parket voor de behandeling van strafzaken in hoger beroep.

Met de instelling van een nieuw leidinggevend college kan het OM “strakker” als landelijke organisatie worden geleid, meent de commissie-Donner; de versnippering in 24 parketten (negentien arrondissementen en vijf ressorten) is een van de oorzaken van het gebrek aan samenhang in het beleid van het OM. De minister, die verantwoordelijk blijft voor het functioneren van het OM, moet “systematischer” dan nu het geval is toezien op de kwaliteit van het werk van het OM, schrijft de commissie.

De uitbreiding van de capaciteit van het openbaar ministerie moet vooral de samenwerking tussen de arrondissementen verbeteren, aldus de commissie.De individuele parketten maken nu nog te weinig gebruik van elkaars expertise; personeel zou in het vervolg niet meer bij een arrondissementsparket moeten worden aangesteld, maar bij het OM als zodanig. Het OM moet ook overgaan tot het aantrekken van niet-juristen om de deskundigheid te vergroten.

De commissie-Donner doet ook een aantal aanbevelingen voor verbetering van de gezagsverhoudingen tussen het OM en de politie.

Pag.3: Bestuur heeft slecht zicht op politiewerk

De commissie-Donner vindt dat het OM zich meer zou moeten bemoeien met het werk van de politie. Zo zou het OM vaker op politiebureaus onderzoek moeten doen naar de werkwijze van de politie in bepaalde zaken. Een probleem is dat niet alleen het OM, maar ook het bestuur (de departementen van justitie en binnenlandse zaken en de verantwoordelijke burgemeesters) onvoldoende inzicht heeft in het functioneren van de politie. Ook over de verantwoordelijkheid voor de politie moet meer duidelijkheid komen, schrijft de commissie.

De interregionale rechercheteams (IRT's) moeten onder het gezag komen te staan van één hoofdofficier van justitie. Een landelijke operationele politie-eenheid zou moeten worden samengesteld door politiemensen uit de regionale korpsen en regelmatig van samenstelling moeten veranderen. Oud-minister Hirsch Ballin van justitie heeft zich daar verschillende keren voor uitgesproken, maar ontmoette weerstand in de Tweede Kamer. Veel gehoorde kritiek is dat met zo'n landelijke politie-organisatie mogelijk een “Nederlandse FBI” wordt binnengehaald.

Volgens de commissie zijn de laatste jaren weliswaar veel veranderingen ingezet binnen het openbaar ministerie, maar deze zijn niet voldoende gebleken om op de nieuwe taken in te spelen. De commissie signaleert dat het OM, dat in de eerste plaats verantwoordelijk is voor vervolging en opsporing van strafbare feiten, steeds meer is gaan fungeren als intermediair tussen andere instanties die betrokken zijn de rechtshandhaving, zoals het rijk, de gemeenten en de politie.

Terwijl de criminaliteit en het aantal wettelijke regels toenamen bleef de uitbreiding van de capaciteit bij het OM grotendeels achterwege. Door een groot aantal nieuwe maatregelen, zoals de administratieve afdoening van strafbare feiten, werd enerzijds het werk verlicht, maar anderzijds kreeg het OM te maken met een groeiend aantal instellingen dat bij de rechtshandhaving is betrokken. Het OM werd daardoor steeds meer een coördinerend orgaan waardoor het oorspronkelijke werk van de 24 parketten onder druk is komen te staan, aldus de commissie-Donner.

Door de spilfunctie die het openbaar ministerie binnen de rechtshandhaving heeft dreigt het OM volgens de commissie-Donner “de bliksemafleider te worden van alle niet-opgeloste spanningen in de rechtshandhaving”. Een voorbeeld daarvan is het toegenomen aantal heenzendingen als gevolg van het cellentekort, wat niet onder de verantwoordelijkheid van het OM, maar onder die van het ministerie van justitie valt. “Heenzendingen hebben een verlammende werking op het gezag en de geloofwaardigheid van het OM”, zo schrijft de commissie.