Bij het oude

“Verval is mooi,” zegt M. Het is nacht, het asfalt raast onder ons voorbij, wij zijn allebei boven de veertig en het autootje doet het nog best, voor zijn zeven-en-een-half jaar. Maar ik denk: ammenooitniet.

En ik begin breed uit te halen dat de waardering voor verval en voor wat oud is, een decadente afwijking is die indruist tegen alles wat een mens eigenlijk wil. Die wil jong, wil nieuw, wil vers. Neem de mens zelf: niets is toch mooier dan de gladde, strakke huid van een zeventienjarige, een lichaam waar geen kloven of verkalking, geen rimpels of verzakking nog vat op hebben? Ja, zegt M., maar wil je ermee praten? Nee, beaam ik, het moet zijn bekje wel dicht houden.

We hebben het over huizen, die zo saai zijn als ze nieuw zijn, of zonder één vervallen hoekje tip-top onderhouden - daar heeft hij gelijk in. M. vertelt over de natuurbeheerders, die tegenwoordig de bossen op grond van nieuwe inzichten een beetje aan hun lot overlaten, omgevallen stammen niet meteen verwijderen, kortom, enig natuurlijk verval toestaan; maar de gebouwen in die natuurgebieden worden wel jaarlijks keurig in de verf gezet, en ieder teken van rotting, elk ongedierte ook, wordt energiek bestreden met de gemeenste stoffen.

Zie je wel, zeg ik, en in die landen waar het zo pittoresk is van verval, met die leuke vissershuisjes, de mensen die daar wonen (als ze niet al naar de grote stad zijn) zouden als zij een bom geld kregen toch ook meteen hun huisjes met glimmende marmeren platen bekleden of afbreken en nieuwe bouwen, grotere? Méér, iets nieuws, is toch het natuurlijke verlangen?

Ons gesprek heeft geen conclusie, het is zoals gezegd tamelijk laat en ik roep nog maar eens dat ik oude mensen vies vind, een gechargeerde uitspraak die M., bioloog, koelbloedig bevestigt. Nog later, in het café, kan ik mijn tweede glas bier niet meer wegkrijgen van moeheid. Van laat opblijven gaat de lol ook wel af, met de jaren.

Natuurlijk is het waar, dat oud leuker is dan nieuw en dat verval zijn eigen schoonheid heeft. Old is beautiful, zou je haast zeggen - als dat tenminste nog mag, want normatieve uitspraken zijn in deze tijden een delicate kwestie (black is beautiful hoor je weinig meer, en dat je niet ongestraft de schoonheid van blank mag bezingen lijkt mij zeker).

De moeilijkheid met kiezen voor het oude is alleen dat het als twee druppels water lijkt op iets anders, iets waar geen mens op betrapt wil worden en geen samenleving bij kan bloeien, namelijk nietsdoen, berusten. Wie zegt: ik houd van deze gribus, het tocht maar ik blijf er wonen, is toch een beetje verdacht. Wie naar de aannemer stapt, aan de slag gaat met blauwdrukken en offertes, die bouwt mee aan de toekomst. Het minste dat je met iets ouds kunt doen, in de ogen van normale mensen, is het grondig opknappen.

Mijn neiging om liever van een oud bord te eten dan van een nieuw, liever een oud boek te lezen dan een nieuw, en om steeds te blijven opzien tegen het vervangen van een stoel die eigenlijk “niet meer kan”, beschouw ik als een afwijking. Een soort luxe. Als echt niemand meer iets nieuws zou willen, zou de samenleving in elkaar zakken als een pudding - tenminste, dat dacht ik altijd.

Maar in geen honderd jaren zal de industrie een kunststof kunnen maken die zo kneedbaar is als het menselijk bewustzijn. Misschien is het idee dat nieuw (net als melk) moet, toch een erfenis van die heerlijke jaren vijftig en zestig toen iets nieuws automatisch iets beters betekende, en toen het woord 'snufje' nog een magische klank had. In die tijd was de toekomst toevallig in de mode. De laatste resten van armoede werden bedwongen - ja ik weet het, alleen hier - en daarom was alles veelbelovend.

Met het aan de macht komen van de baby-boomers (wat is dat toch een leuk woord voor mensen van middelbare leeftijd) kan het verval best weer aan respectabiliteit winnen, nieuwe glans krijgen. De schoonheid van ruïnes is iets waarvoor ze in de achttiende eeuw al zoveel oog hadden dat ze zelfs nieuwe bouwden.

Alleen oude mensen, die vind ik nog steeds vies. Nou ja, héél oude mensen.