Wolfson onthult toetsstenen voor uitvoering sociale verzekeringen; 'Over de politieke dimensie moeten wij ons als WRR niet uitspreken'

DEN HAAG, 7 JUNI. “Wij willen niet voor God spelen”, zegt prof.dr. D.J. Wolfson, lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) en voorzitter van de projectgroep die het vandaag verschenen rapport Belang en beleid, over de uitvoering van de werknemersverzekeringen (Ziektewet, WAO, WW) schreef. “Dit is een politiek geladen onderwerp.) Over de politieke dimensie moeten we ons als WRR niet uitspreken. Daarom schetsen we wel opties, maar maken geen keuze.”

Een jaar geleden begon Wolfson aan zijn missie om de criteria bloot te leggen waaraan elk stelsel op economische, sociale en bestuurlijke gronden moet voldoen, wil het op lange termijn houdbaar blijven. En ook al is het rapport voor leken bijzonder moeilijk te vatten, Wolfson vind zijn opdracht geslaagd. “Ik heb mensen gesproken die een rol spelen bij de formatie van een nieuw kabinet”, zegt hij tevreden, “die vinden dat wij de toetsstenen hebben blootgelegd waaraan een nieuwe uitvoering van de sociale zekerheid moet voldoen. Of de lezer in Doetinchem dat nou begrijpt is voor mij niet zo belangrijk.”

Zolang werkgevers en werknemers de kosten van ziekte, arbeidsongeschiktheid en werkloosheid ongehinderd kunnen declareren bij grote, anonieme sociale fondsen bestaan er volgens de WRR onvoldoende financiële prikkels om het aantal uitkeringen beperkt te houden. Daarom wil de WRR de vrijblijvendheid uit het systeem halen en het meer richten op het aan het werk houden of krijgen van uitgerangeerde werknemers.

Het toekomstige kabinet - van welke samenstelling dan ook - kan kiezen uit zeven WRR-opties. Twee doen recht aan de christen-democratische invalshoek: het subsidiariteitsbeginsel, waarbij de verantwoordelijkheid daar wordt gelegd waar die het meest wordt gevoeld. In dit geval: het bedrijfsleven. Sociale partners voeren de werknemersverzekeringen, die worden beschouwd als arbeidsvoorwaarden, zelf uit. Per bedrijfstak of onderneming worden cao's afgesloten waarbij behalve over loon en arbeidstijden ook afspraken worden gemaakt over (aanvullende) collectieve verzekeringen tegen het risico van ziekte, arbeidsongeschiktheid of werkloosheid. De uitvoering vindt plaats door bedrijfsverenigingen per bedrijfstak. Maar die bedrijfsverenigingen hebben niet langer een monopolie. “Ze zullen moeten concurreren”, zegt Wolfson. Individuele ondernemingen krijgen het recht om risico's zelf te dragen, of uit te besteden bij particuliere verzekeraars en bedrijven met hoge risico's zullen meer premie gaan betalen dan bedrijven met geringe risico's (premiedifferentiatie). Deze politieke variant gaat uit van een terugtredende overheid en overdracht van werknemersverzekeringen aan het bedrijfsleven.

Een variant op dit stelsel is dat de overheid zich beperkt tot het in het burgerlijk wetboek vastleggen van de verplichting voor individuele bedrijven om voor hun werknemers verzekeringen af te sluiten tegen het risico van inkomensderving. Hoe, waar, wanneer en bij wie ze dat doen moeten ze zelf weten. Maar een ding is zeker: de commerciële verzekeraars die zich hiervoor aanbieden zijn gebaat bij zo weinig mogelijk uitkeringen en dus bij preventie en reïntegratie.

In de sociaal-democratische visie speelt de overheid een dominante rol. De WRR schetst daarvoor drie opties. In twee daarvan wordt de uitvoering in handen gelegd van de bestaande Regionale Besturen Arbeidsvoorziening (RBA's). Bij de ene variant worden de RBA's van bovenaf aangestuurd via taakstellende budgetten. Die hebben het nadeel dat ze bewerkelijk en moeilijk vast te stellen zijn. In de andere (privatiserings)variant speelt het RBA de rol van regisseur, die het eigenlijke werk uitbesteedt aan particuliere verzekeraars. Deze optie heeft, zo valt uit Wolfsons woorden op te maken, zijn eigen voorkeur. Ook de in Den Haag formerende politici van PvdA, VVD en D66 neigen in deze richting. In een derde variant wordt de uitvoering uitbesteed aan de gemeentelijke sociale diensten, die nu al het na-traject van WW en WAO - de bijstand - voor hun rekening nemen.

De derde politieke visie heeft betrekking op het onder meer door de VVD gepropageerde ministelsel. Daarvoor schetst de WRR, net als voor de christen-democratische visie, twee varianten. In de eerste draagt de overheid zorg voor een sociaal vangnet (basisverzekering). Daar bovenop kunnen aanvullende particuliere verzekeringen worden afgesloten. Nadeel van zo'n systeem is volgens de WRR dat verzekeringsmaatschappijen zich harder zullen inspannen voor de mensen met de hogere dan die met de lagere inkomens omdat daar voor hen het meeste geld mee te besparen valt (de laagste uitkeringen komen immers hoofdzakelijk voor rekening van de staat). Het systeem voldoet daarmee onvoldoende aan de eis dat het moet leiden tot inschakeling van zoveel mogelijk inactieven in het arbeidsproces en een zo gering mogelijk beroep op werknemersverzekeringen. In de tweede variant van het ministelsel wordt de dekking van het hele risico van ziekte en arbeidsongeschiktheid geprivatiseerd, dat wil zeggen: ondergebracht bij particuliere verzekeraars. Dit systeem is geënt op dat van de WA-verzekering bij motorvoertuigen. Particuliere verzekeringen tegen het risico van inkomensderving bij werkloosheid komen in het hele WRR-verhaal niet voor, omdat ze volgens de geraadpleegde verzekeraars niet mogelijk zijn.

“Wij hebben een keuze voor iedere leuze”, zegt Wolfson. “Het centrale thema voor de uitvoering is: geen declaratiesystemen, maar ofwel taakstellende budgetten, ofwel privatisering.” In elke politieke optie komt zo'n privatiseringsvariant voor. Ze zijn bedoeld voor de politici die een broertje dood hebben aan bureaucratisering. “Ik ben voorstander van het zelfsturende model”, bekent Wolfson. “Voor mij is de gedachte dat de premies worden gedifferentieerd en dat je concurrentie schept in het stelsel belangrijker dan wie er op de bok van de uitvoeringsorganen zitten. Of dat nu sociale partners, RBA's of particuliere verzekeraars zijn, dat doet er niet zoveel toe. De werkelijke keuze die de politiek moet maken is niet of de overheid zich wel of niet moet terugtrekken, maar of die overheid bureaucratisch bestuurt, of werkt met aan het marktmechanisme ontleende methodes. Ik kies voor het laatste. Zelfbesturing is beter dan bureaucratische besturing. Ik doe het liever met de sociale partners in consensus, dan dat ik het van bovenaf opleg en een hoop ellende over me heen haal. Ik ben niet anti-middenveld. Anders zat ik niet in de Sociaal-Economische Raad. Ik ben tegen gedwongen winkelnering bij bedrijfsverenigingen en voor het afrekenen op verantwoordelijkheid.”

De baten van een nieuw uitvoeringsstelsel zijn volgens Wolfson niet in geld uit te drukken. Het is volgens hem belangrijker dat mechanismen van zelfregulering in de sociale zekerheid worden ingebouwd, waardoor een volumebeleid (minder uitkeringen) min of meer automatisch tot stand komt, dan dat in een nieuw regeerakkoord weer afspraken worden gemaakt over miljardenbezuinigingen door beperking van hoogte en/of duur van de uitkeringen. Wolfson: “Ik ben al heel tevreden met de acceptatie van het rapport in deze informatieronde. Als er toch een ander kabinet komt, bijvoorbeeld met het CDA, dan hoop ik dat de slag om het openbreken van het monopolie van de bedrijfsverenigingen al is geleverd. Dat PvdA, D66 en VVD daar dan niet meer op terug kunnen komen.”