Tegennatuurlijke contacten met visboer

“De magtigste en gevaarlijkste vijand is de publieke opinie”, schreef J. Kneppelhout als een van zijn 'gedachten' in het tiende deel van zijn Geschriften. De waarheid van deze stelling heeft hij aan den lijve ondervonden. In 1867 raakte hij in een schandaal verwikkeld dat grote invloed heeft gehad op zijn leven en dat hardnekkig voortleefde.

Nog in 1905, twintig jaar na Kneppelhouts dood, maakte de doopsgezinde predikant en literaire speurneus J. Dyserinck zijn voornemen kenbaar aan de Leidse uitgever A.W. Sijthoff om het smetteloze karakter van Kneppelhout in het licht te stellen en zo de ellendige laster tegen te gaan die nog altijd rondwaarde.

A.W. Sijthoff haastte zich vervolgens om de weduwe Kneppelhout te bezweren niet met Dyserinck in zee te gaan. Misschien vond hij dat iedere nieuwe publiciteit ongewenst was, misschien ook achtte hij Kneppelhout minder onschuldig dan Dyserinck.

Hoewel het in Nederland in 1867 oorverdovend geritseld moet hebben van de praatjes over Kneppelhout, zijn we maar zeer beperkt ingelicht over het schandaal. Negentiende-eeuwers waren evenzeer op schandaal belust als wij, maar ze waren aanzienlijk discreter in het op schrift vastleggen van gevoelige informatie. Duidelijk is dat het bij Kneppelhout ging over mogelijke tegennatuurlijke contacten. Tot nu toe werd aangenomen dat Kneppelhout in Oosterbeek een relatie had gehad met Jan de Graan, een talentvolle violist die hij financieel steunde. De Graan had er echter niets mee te maken, als we J. Dorsman mogen geloven.

Maar wie is J. Dorsman? J. Dorsman ontwikkelde zich in de jaren zeventig van de vorige eeuw in Parijs van knecht tot kleine fabrikant van luxe lederwaren. In het archief van de Leidse uitgever A.W. Sijthoff, dat is ondergebracht in de Leidse Universiteitsbibliotheek, zijn brieven van Dorsman bewaard gebleven die tot nu toe door Kneppelhout-biografen over het hoofd zijn gezien. Daaruit laat zich het volgende reconstrueren.

Kneppelhout trad op als beschermer van een hele stoet talentvolle jongemannen: de violist De Graan, de schilder Gerard Bilders en enkele letterkundigen, zoals De Genestet en Jan C. de Vos. In 1867 raakte Kneppelhout in opspraak, niet in Oosterbeek, maar in Leiden. Kennelijk wordt hij verdacht van homoseksuele contacten met een Leidse jongeman die ofwel 'Vischboer' heet, ofwel visboer van beroep was. Kneppelhout zag zich daardoor genoodzaakt zijn Leidse huis eraan te geven en zich definitief te vestigen op het landgoed De Hemelsche Berg bij Oosterbeek. Maar eerst - een gewoon recept om praatjes te ontlopen en tot rust te brengen - ging hij op reis.

Dorsman, die waarschijnlijk bij Kneppelhout in dienst was, werd naar Duitsland gestuurd. Later vertrok Dorsman naar Parijs om zich te bekwamen in het leerwerk. Kneppelhout en Sijthoff ondersteunen hem, financieel en moreel.

Aanvankelijk gaat het Dorsman niet voor de wind. Zijn Parijse patroon ontslaat hem, hij wordt ziek en moet stiekem zijn kosthuis verlaten omdat hij zijn schulden niet kan betalen. Af en toe neemt hij zijn toevlucht tot relaties van Kneppelhout en Sijthoff in Parijs, zoals de schilder Artz en de etser William Unger. De terugbetaling van Kneppelhouts leningen blijft voortdurend een probleem. Dorsman trouwt met een Française die dameskleding vervaardigt en die ook begunstigd wordt met de klandizie van de dames Sijthoff en Kneppelhout.

In 1881 wil Dorsman zijn zaken uitbreiden en vraagt hij zowel Sijthoff als Kneppelhout om nieuwe steun. Kneppelhout laat in een door zijn vrouw geschreven brief aan Sijthoff weten dat hij Dorsman niet meer wil helpen. Dorsman is wel een braaf man, maar hij is ook erg lastig en onhandig: “Hij heeft zich eens veroorloofd in een brief iemand, die toevallig bij mij was, toen ik hem eens bezocht, aan te duiden als 'die jonge heer, die uw sigaren oprookt'. Ik diende hem daarop door hem te antwoorden dat dergelijke uitdrukkingen niet te pas kwamen en dat ik gaarne eens van hem zou vernemen wie, die jonge heer of hij, de meeste sigaren had opgerookt.”

De breuk van Kneppelhout met Dorsman brengt de Parijzenaar ertoe zich te rechtvaardigen in een brief aan Sijthoff. Dorsman schrijft een curieus soort Nederlands. Hij vermeldt in zijn brief dat er 'scherpe winden' over Kneppelhouts hoofd en huis zijn gewaaid in de tijd dat hij naar Duitsland werd gestuurd voor zijn opleiding: “Maar Mijnh. u zult toch niet tegen spreeken, dat men mij niet zoo maar zonder doel naar het vreemde land zond.”

Kneppelhout heeft hem weldaden bewezen, aldus Dorsman, maar: “Hij heeft gehandeld niet zoo als het hoorde als Echtgenoot van een brave en trouwe Gade”. Volgens Dorsman hebben Kneppelhouts vrienden hem ondervraagd en heeft hij voor zijn beschermer gepleit “wat ik ook niet (en God is mijn getuigen) anders doen kon. - Maar Mijnheer Sijthoff zeg mij eens, wat kan men van mij gedacht hebben, die uren lang alleen als jongeling van 18 jaren op ZEd. kamer door heb gebracht - kon men (onder ons s.v.pl.) niet denken als van die Vischboer.”

“Toen ik van Weenen huiswaarts keerde”, vervolgt Dorsman, “is het 2 malen gebeurd dat ik in deftige kringen was, waar gesprooken werd, aan de anderen zijde der Kamer over het toen nog zoo vers in het geheugen liggend feit en ik opstond en mij zelve opofferde - uit dankbaarheid - om het anderen te bestrijden - en denkt u dat het nu is uitgestorven. Helaas neen, het leeft noch in het geheugen. Dat getuige de gesprekken die mijne vrouw in Leijden hoorde in het vorig jaar, en ook geen Hollander komt bij mij of hij roert dat gesprek aan.”

Volgens Dorsman leed Kneppelhout erg onder de zaak, vooral omdat hij zijn mogelijk curatorschap van de Leidse universiteit (“waarvoor hij zich zelven gevoelde in de wieg te zijn gelecht”) in rook zag opgaan. Omdat Kneppelhout zich niet door Dorsman de les wilde laten lezen, kwam het tot een breuk. Terwijl Dorsman vond dat hij alles deed om de akelige geruchten in de doofpot te stoppen “gaat den Heer K. immer met jonge mannen om, en op de zelfde manier waardoor de smet hem toegeworpen is - ik heb getracht dat bij Mijnheer tegen te werken. Voor zijn Welzijn, goede naam en huiselijk geluk - doch werd verkeerd begreepen! en - verviel in ongenaden!”

Niemand is een groot man in de ogen van zijn huisknecht. En vermaningen komen nergens moeilijker aan dan bij een moralist. Kneppelhout, die zovele jongemannen - al dan niet van academische huize - wilde opvoeden, was blijkbaar niet bereid lering te trekken uit het verleden. In ieder geval niet op gezag van de voormalige maroquineursknecht J. Dorsman. Het zou me niet verbazen als op de relatie tussen Dorsman en Kneppelhout deze 'gedachte' van de moralistische schrijver van toepassing was: “Men moet iemand nooit laten bespeuren, dat men hem in den zak heeft, anders kruipt hij er terstond uit.”