Oeso: werkloosheid in rijke landen is vooral eigen schuld

PARIJS, 7 JUNI. het gevecht dat veel rijke industrielanden op dit moment voeren tegen de hoog opgelopen werkloosheid, hebben zij volledig aan zichzelf te wijten. Van populaire argumenten dat de werkloosheid te wijten zou zijn aan externe ontwikkelingen - zoals importen vanuit lage-lonenlanden en technologische vooruitgang - blijft volgens de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) bij nadere bestudering weinig over. De belangrijkste oorzaak is volgens de OESO het feit dat veel landen niet over de capaciteiten of de bereidheid beschikken hun economie tijdig aan te passen aan veranderende omstandigheden.

In het rapport The OECD Jobs Study: Evidence and Explanations, waaraan onderzoekers van de OESO twee jaar gewerkt hebben en dat vandaag is gepresenteerd aan de ministers van sociale zaken en economische zaken van de 25 belangrijkste industrielanden, draait alles om flexibilisering en aanpassingsvermogen. De aanbevelingen, waarvan vorige week al enkele delen uitlekten, zijn er op gericht om de verstarring die zich met name in de Europese economieën heeft genesteld, te doorbreken. Verworven rechten, zoals het minimumloon, en ingeslopen gewoonten, zoals het algemeen verbindend verklaren van CAO's, moeten wat de OESO betreft in alle industrielanden tegen het licht worden gehouden en zo nodig worden afgeschaft.

Hoewel het OESO-rapport de economische en maatschappelijke verstarring als verreweg de belangrijkste oorzaak beschouwt van de tot 35 miljoen personen opgelopen werkloosheid in de lidstaten, hoeden de onderzoekers zich voor al te stellige uitspraken met betrekking tot het oplossing van het werkloosheidsprobleem. Het rapport doet wel aanbevelingen, zoals het vergroten van flexibliteit op het gebied van lonen en werktijden, verbetering van het ondernemingsklimaat, hervorming van het sociale stelsel en het arbeidsmarktbeleid, maar ieder land moet voor zichzelf uitmaken waar de knelpunten liggen en hoe deze aangepakt moeten worden. “Oplossingen kunnen in ieder deel van sociale en economische politiek gevonden worden. Niet alle oplossingen zullen politiek gezien even makkelijk te aanvaarden zijn, omdat zij opofferingen inhouden of een bedreiging vormen voor de huidge situatie.” Die weerstand mag volgens de OESO echter geen reden zijn om dergelijke oplossingen niet na te streven.

De OESO maakt in het rapport korte metten met het argument dat de import uit lage-lonenlanden er voor zorgt dat de werkgelegenheid in de meer ontwikkelde landen afneemt. Volgens de OESO - die zich naar eigen zeggen moest baseren op gebrekkig cijfermateriaal - vormen de goederen uit deze gebieden op dit moment slechts 1,5 procent van de totale uitgaven door OESO-landen, al neemt het belang wel toe. “In de praktijk komt de meeste concurrentie voor OESO-landen niet uit lage-lonenlanden, maar uit de OESO-landen zelf”, zo staat in het rapport. Protectionisme en het opwerpen van handelsbelemmeringen zou daarom volgens de OESO alleen maar contraproduktief werken.

Ook de technologische vooruitgang mag volgens de OESO niet de schuld krijgen van de werkloosheid. Op basis van empirisch cijfermateriaal concludeert de zij dat technologische ontwikkelingen weliswaar in bepaalde sectoren voor banenverlies hebben gezorgd, maar dat het algemene beeld tot nu toe altijd nog is dat technische vooruitgang in het totaal gezien voor meer banen zorgt. “Pogingen om het tempo van veranderingen aan te passen, vormen geen goede benadering. De beste manier is eerder het vermogen om zich aan veranderingen aan te passen, te versterken. De behoefte hiertoe is alleen maar groter geworden omdat er in de OESO-economieën een toenemend gat dreigt te ontstaan tussen de noodzaak en de capaciteit om veranderingen door te voeren.”

Meer flexibiliteit op het gebied van arbeidsvoorwaarden (lonen, ontslagbescherming) en een beter klimaat voor ondernemingen om kennis te vergaren en toe te passen, moeten er uiteindelijk toe leiden dat er zowel aan de bovenkant als aan de onderkant van de markt banen bijkomen. Overheden die - onder druk van sociale partners en andere belangengroepen - wegens de bestaande werkgelegenheid bepaalde bedrijfstakken of bepaalde groepen werknemers in bescherming nemen, zijn volgens de OESO op de verkeerde weg. Dat niet iedere werkende erin zal slagen om in nieuwe omstandigheden weer een goede baan te vinden, is onontkoombaar en voor deze mensen moet een behoorlijk sociaal vangnet aanwezig blijven, vindt ook de OESO, die wat dit betreft ook een kanttekening zet bij het Amerikaanse arbeidsmarktmodel. Maar door alleen de belangen van de zittende werknemers te behartigen, dreigen te veel anderen voorgoed buitenspel te worden gezet.

Overheden kunnen er niet op eigen houtje voor zorgen dat hun economieën weer flexibel worden, daarvoor is volgens de OESO ook de steun van sociale partners (werkgevers en werknemers) nodig. Belangrijk is bovendien dat maatregelen die de flexibiliteit kunnen bevorderen, niet van bovenaf opgelegd worden. Zo moeten bedrijven in staat worden gesteld om de arbeidsvoorwaarden - binnen een bepaald raamwerk - aan te passen aan hun marktomstandigheden en moet deeltijdwerk (dat door de OESO als positief wordt beschouwd) niet ontaarden in een opgelegde vorm van herverdeling van arbeid, maar gebruikt worden als middel om de wensen van werknemers en werkgevers op elkaar af te stemmen.