Het kuiltje

Terug in Nederland, het land van de gespleten arbeidsmarkt, de tweedeling. Er zijn mensen die meedoen en mensen die niet meedoen. De mensen die meedoen worden gek van het meedoen en de mensen die niet meedoen worden gek van het niet meedoen. Die collectieve gekte, daar schuilt een nieuwe eenheid in.

Na een week afwezigheid was ik nieuwsgierig naar de pimpelmezen in de eik. Ik hoorde ze gezellig sputteren. Het nestje in de kast was warm. Maar ongelofelijk: géén eieren!

Het vrouwtje had geen staart - waarschijnlijk kwijtgeraakt op een moment van grote schrik. Dat komt bij mezen vaker voor, dat schijnt niet erg te zijn. Bij copuleren zit een staart alleen maar in de weg.

Al anderhalve maand geleden was alles klaar. Ze hadden mosjes bij elkaar gebracht en draaiden er een kuiltje in, dat zachtjes werd bekleed met dons en hondehaar. Het eerste ei kon komen, elke dag.

Het eerste ei kwam niet en ook het tweede niet; ik had er wel een stuk of acht verwacht.

Nog steeds zit ze voortdurend in de kast. Ze komt van tijd tot tijd naar buiten en voegt zich bij het mannetje, wat hoger in de boom. Ze laat haar vleugels trillen, spert haar snavel open, krijgt van hem iets lekkkers toegestopt. Ik denk: ze maakt hem wijs dat ze daar binnen aan het broeden is. En hij laat haar geloven dat hij dat gelooft. Ze doen alsof ze bezig zijn en maken er een makkie van.