Fundamentalisme van koude grond

DEURNE. “Er zijn altijd problemen over de Ramadan. Officieel moet je vasten van zonsopgang tot zonsondergang, en bij ons in Egypte was dat allemaal nog wel te doen. Maar hier in Nederland duurt die schemering eindeloos, en in een land als Finland kun je zulke lange vastentijden al helemaal niet volhouden, daar kun je alleen 's nachts nog wat eten. Maar de fundamentalisten hebben geen idee van dit soort problemen.” Het regent in de nieuwbouwwijk in Deurne, en we zitten via de satelliet naar de Egyptische en de Tunesische televisie te kijken. We zien een blonde cartoonheld een grauwe hulk verpletteren, een wedstrijd tussen een tiental flitsende vrouwelijke schermsters en daarna is er sport voor gehandicapten. “Ondenkbaar, twintig jaar geleden”, zegt Moustafa. “Toen ik uit Egypte wegging waren invaliden weinig meer dan lucifersverkopers, mensen aan de rand van de straat en van het leven. En nu ziet je dit.”

Moustafa Ramadan is keurmeester bij de Rijksdienst voor Keuring van Vee en Vlees en emigreerde in 1976 uit Egypte naar Nederland. “Je begint hier niet vanaf nul, maar vanaf min.” Het eerste wat hij deed was zo goed mogelijk Nederlands leren - volgens hem de enige manier om iets van de Hollandse cultuur te begrijpen. “Als iemand goed Nederlands praat hoef ik hem niet eens te vragen of hij een goede baan heeft: ik weet dat zeker. Zo werken die dingen op elkaar in.” Maar omgekeerd is ook waar. In de fabrieken en slagerijen waar hij komt treft hij nog veel Marokkaanse jongens die nauwelijks Nederlands spreken. “Die zijn zo uit hun dorp naar de fabriek gestuurd. Onderwijs hebben ze nauwelijks gehad, en zelfs met gewoon Arabisch hebben ze moeite. Alleen in het dialect van hun dorp voelen ze zich thuis. Die jongens worden een probleem. Door hun gebrek aan taal.”

De discussies die in Kairo gevoerd worden vinden ook hier plaats. Maar de toon is anders. Het leven dat de islam is ingeblazen komt immers niet van binnenuit. Het is afkomstig van gebeurtenissen en omstandigheden in de buitenwereld, 'de verspreiding van de universele beschaving', zoals V.S. Naipaul het noemt. Hij beschrijft het opkomende islamitische fundamentalisme als een godsdienst van dorpsmensen die wakker zijn geschud, maar alleen om te ontdekken dat de wereld hun niet toebehoort. “Hun woede - de woede van plattelanders met beperkte bekwaamheden, beperkte geldmiddelen en een beperkte wereldvisie - is heel groot”, schrijft hij. “En nu hebben ze een wapen: de islam. Dit wapen helpt hen bij hun verdriet, hun gevoel van machteloosheid, hun sociale verontwaardiging en hun rassenhaat.” De islam-kenner Bernard Lewis spreekt zelfs van een 'islamitische woede' tegen de principes en waarden van de westerse beschaving, juist vanwege de eigen mislukking, zowel internationaal als - letterlijk - in eigen huis.

Kan deze 'hartstocht zonder constructief programma' vroeg of laat ook overslaan op de Turkse en Arabische gemeenschap in Nederland? In Nederland vinden steeds meer leden van het Algerijnse Islamitisch Reddingsfront (FIS) hun toevlucht - sommigen van deze fundamentalisten zijn zelfs als vluchteling erkend - maar Moustafa Ramadan ziet ze voornamelijk als economische vluchtelingen. “Ik ben niet bang dat ze hier snel het religieuze leven zullen overnemen. Ik zeg wel eens tegen ze: 'Hier is alles wat volgens jullie taboe is: bloot, vrijheid, alcohol'. Waarom vluchten jullie dan uitgerekend naar dit land?” Voor hem is het fundamentalisme meer een kwestie van platteland contra stad. “Tijdens de Golfoorlog stonden we wel eens in zo'n slachterij wat te praten, en dan waren de plattelands-Marokkanen bijna altijd op de hand van Saddam Hussein, terwijl het bij de stadsmensen net omgekeerd lag.”

De mogelijkheden voor een opkomend fundamentalisme liggen hier dan ook vooral bij deze taalloze Marokkaanse fabrieksjongens en hun werkloze vrienden. Want hoe meer structureel geweld er jegens hen wordt uitgeoefend - identiteitscontroles, aanvaringen met justitie, rotwerk, nauwelijks geld, geen onderwijs - hoe meer ze gemeen hebben met Naipauls dorpsjongens in Maleisië. Ook bij hen zal de behoefte groeien aan een beweging van verandering en overwinning - die overigens in de eerste plaats gericht is op de eigen elites, de schrijvers en intellectuelen die het Westen binnenbrachten, en faalden jegens hen.

Toch is er één essentieël verschil: deze jongens hier zijn zelf onderdeel van het Westen, huns ondanks, maar toch. De socioloog H. Werdmölder legde enkele jaren geleden een Marokkaanse jongeren-gang in Amsterdam-Oost onder de microscoop, en in die studie beschrijft hij een fase waarin enkele groepsleden opeens de moskee ontdekten als afkickcentrum. Ze begonnen in een Marokkaanse djellaba rond te lopen, gingen heel fatsoenlijk praten en elke paar uur wendden ze zich op een gebedsmatje tot Mekka. “Ik wist niet wat ik zag,” schrijft Werdmölder. “De woorden van gelovige moslims zijn bij junkies niet aan dovemansoren gericht.” Het geloof bood hun rituelen, zekerheid en een nieuw gevoel van zelfvertrouwen.

Voor de meeste leden van de groep was deze vrome periode echter maar van korte duur. Ze zagen geen kans resoluut te breken met hun woelige verleden. Ze bleven elkaar zien, de jongens, en de ene na de andere bekeerling bezweek na enkele weken voor de verleiding van het andere leven. Zo bleef voor hen uiteindelijk alles bij het oude: de verwarring en de tegenstrijdigheden, en ook de vage woede die hen dreef.

Bij dit alles gaat het echter allang niet meer om de islam als godsdienst, of om de islamistische cultuur. Het gaat om een existentiële, misschien zelfs politieke onvrede, die men gemakshalve het stempel islamitisch geeft, maar die misschien wel gewoon verbonden is met het menselijk lot. De Amsterdamse arabist Mohammed Arkoun spreekt in dit verband van een ideologisch versteningsproces, dat met alle kracht doorbroken moet worden. En misschien al doorbroken wordt, al is het op een andere manier dan wij denken.

Het blijft regenen in Deurne. Moustafa vertelt hoe het in de beginjaren was, toen je uren op het postkantoor bezig was om je familie aan de telefoon te krijgen. Een vliegticket kostte toen tweeduizend gulden - nu zeshonderdvijftig. Een familiebezoek was een expeditie - nu gaat hij tweemaal per jaar. “We zijn geen Hollanders in Australië. Wij zijn geen geïsoleerde immigrantengemeenschap meer, steeds eenzamer en gereformeerder, losgeraakt van het thuisfront.”

De tv staat op Egypte. Tennissen. Korte rokjes, blote benen, nergens een sluier te zien. “Het gaat allemaal razendsnel. Iedereen uit Egypte en Marokko die ik ken heeft nu zo'n satelliet-schijf op het dak, ze kijken naar dezelfde televisie als hun buren in hun dorp, en dat weten ze. En steeds meer lijkt die televisie daar op de televisie hier. Zo gaan die dingen, langzaam maar zeker, of we willen of niet.”