Foto

Foto: AMSTERDAM, 7 JUNI. De tot een mandje uitgeholde kersepit is opgewreven, de glazen roemers zijn gelijmd en de kop van het varken grijnst vanaf zijn keukenplank de kijker weer tegemoet. De twee zeventiende-eeuwse poppenhuizen die het Rijksmuseum bezit zijn vanaf vandaag, na een restauratie van twee jaar, weer voor het publiek te zien.

De meer dan twee meter hoge poppenhuizen van Petronella Oortman (1656-1716) en Petronella Dunois (1650-1696) - in de wandelgangen 'het schildpadhuis' (vanwege z'n marqueterie van schildpad) en 'het Dunois-poppenhuis' genoemd - zijn na De Nachtwacht van Rembrandt de grootste publiekstrekkers van het Rijksmuseum. De pronkkeukens, kinderkamers, kraamkamers, het voorhuis, de zaal en kleerzolders bevatten honderden zilveren en glazen voorwerpen, met zijde bespannen meubelen, potten, pannen, bezems en boenders. Samen schetsen zij een nauwkeurig beeld van het huiselijk leven in de zeventiende eeuw.

Onder leiding van J. Pijzel, wetenschappelijk medewerkster van het Rijksmuseum, zijn de soms maar één centimeter hoge objecten uit hun kamers gehaald, schoongemaakt, gerepareerd en gefotografeerd. De muren zijn opnieuw bespannen en de kasten - de 'muren en daken' van de huizen - gerestaureerd. De twee poppenhuizen staan in een gedempt verlichte zaal achter glas opgesteld, zodat geen mens, geen kind ermee kan spelen. Want daarvoor immers zijn deze poppenwoningen nooit bedoeld. Op de foto: Oortmans poppenhuis.

Onder leiding van J. Pijzel, wetenschappelijk medewerkster van het Rijksmuseum, zijn de soms maar één centimeter hoge objecten uit hun kamers gehaald, schoongemaakt, gerepareerd en gefotografeerd. De muren zijn opnieuw bespannen en de kasten - de 'muren en daken' van de huizen - gerestaureerd. De twee poppenhuizen staan in een gedempt verlichte zaal achter glas opgesteld, zodat geen mens, geen kind ermee kan spelen. Want daarvoor immers zijn deze poppenwoningen nooit bedoeld. Op de foto: Oortmans poppenhuis.