Een steekpartij in de moskee

In het Pieter Baan Centrum, waar ze zijn psyche onderzochten, hadden ze hem 109 vragen voorgelegd, en op elke vraag had hij met 'nee' geantwoord. Dat hadden ze daar nog maar zelden meegemaakt. Maar wie het gedrag van Kerem Coskun voor de meervoudige Utrechtse strafkamer ziet, zal er niet verbaasd over zijn.

Met Coskun is eigenlijk geen normale communicatie mogelijk. Ook op de vragen van de rechters reageert hij vaak met 'ja' of 'nee', en het liefst gebruikt hij de woorden die hem in de mond gelegd zijn.

Coskun is een 25-jarige Turk die in 1979 met zijn moeder en andere kinderen bij zijn vader in Nederland introk. Vader Coskun vertoefde toen al acht jaar in Nederland. Hoewel Kerem Coskun hier is opgegroeid, spreekt hij nog steeds kreupel Nederlands, soms op het onbegrijpelijke af. Hij is een grote, mollige man met een afwezige blik in zijn ogen, alsof de gebeurtenissen in de rechtszaal hem niet aangaan.

Kerem zou zijn vader in februari 1994 in een moskee hebben proberen te vermoorden met een vleesmes. De vader stond met de imam te praten toen Kerem hem vanachter naderde en het mes in zijn rug plantte. Kerem spreekt dat niet tegen, hij ontkent alleen dat hij zijn vader tot twee keer toe heeft gestoken. Zijn vader draaide zich om en pakte zijn zoon vast. “Wat doe je?” vroeg hij. Kerem vluchtte daarop weg. De vader kwam er met een klaplong en een bloedende arm - bewijs dat Kerem inderdaad twee keer heeft gestoken - nog betrekkelijk goed vanaf.

“Waarom in de moskee?” vraagt de officier van justitie, B. Steensma.

“Daar hoef ik geen antwoord op te geven”, zegt Kerem.

“Omdat het voor sommigen extra erg is als het daar gebeurt? Begrijpt u dat?”

“Nee.”

Kerem lacht een brede, schampere lach. Dat zal hij tijdens deze zitting vaker doen, ook op momenten dat er helemaal niets te lachen valt. Het is een lach die de eerste keren niet opvalt, maar die bij veelvuldige herhaling iets desolaats krijgt. Zoals eenzame mensen hardop in zichzelf kunnen praten, zo lacht Kerem. Het is de lach van iemand die volledig is opgesloten in de hel van zijn eigen hoofd.

“Had u problemen met uw vader?” vraagt de voorzittende rechter, A. Weijsenfeld.

“Ik had vaak ruzie met hem.”

“Waarom? Bemoeide hij zich te veel met u?”

“Ja.”

Kerem zegt het niet, want hij houdt niet van uitweidingen, maar de bemoeienis van zijn vader ging zelfs zo ver dat hij zijn zoon dwong Korangebeden om zijn hals te dragen. Kerem gruwde daarvan, introverte eenling als hij was. Al in zijn Turkse jeugd was hij een eenzelvig jongetje geweest. Mogelijk waren traumatische ervaringen daaraan debet, want Kerem heeft in zijn nabije omgeving enkele grove geweldsdelicten meegemaakt.

Tijdens zijn puberteit in Nederland keerde hij steeds meer in zichzelf. Bemoeienissen van anderen ervoer hij als een ontoelaatbare inbreuk op zijn verborgen leventje. Het moet voor hem een kwelling zijn geweest toen zijn vader hem in 1986 - net achttien jaar - tot een huwelijk met een Turks meisje dwong.

Er kwamen kinderen, maar Kerem leek zich nooit helemaal op zijn gemak te voelen in zijn gezin. Zo valt het op dat hij twee, drie dagen per week bij zijn vader bleef wonen - dezelfde vader die hij om zeep wilde brengen, dezelfde vader ook die hem, Kerem, in 1992 tijdens een ruzie had aangevallen.

“Wist u dat uw vader in de moskee was?” vraagt de rechter. “Daar zat hij altijd?”

Coskun lacht instemmend. “Jazeker.”

“Wanneer besloot u uw vader neer te steken?”

“Eén dag voordat we ruzie hadden.”

Volgens sommige familieleden had Kerem zijn vader al eerder met vergiftigde soep proberen te vermoorden. Kerem ontkent dat.

“Wou u hem doodmaken of verwonden?” vraagt de rechter over de steekpartij.

“Ik wou hem doodmaken”, zegt Kerem vlak, “hij moest dood.”

Er was een ruzie - de zoveelste - en Kerem besloot een mes te kopen. De volgende dag stak hij toe, nadat hij een poosje buiten de moskee op zijn vader had gewacht.

“Heeft u er spijt van, of vindt u het goed?” vraagt de rechter.

En dan geeft Kerem een antwoord dat je zelden of nooit in Nederlandse rechtszalen hoort, al was het alleen maar omdat advocaten het plegen af te raden. “Ik vind het goed dat het gebeurd is”, zegt Kerem.

De rechter is zó verbouwereerd dat hij even lijkt te twijfelen aan zijn gehoor. “Hij hoeft niet dood?” vraagt hij.

“Het is jammer dat ie niet dood is”, zegt Kerem.

“U vindt dat jammer?”

“Ja.”

De rechter vraagt hem of hij wel eens stemmen heeft gehoord, en of het waar is dat hij zich soms bedreigd voelde door een terreurorganisatie. Het zijn allemaal beweringen die Kerem ooit gedaan heeft, maar vandaag ontkent hij ze, hoewel het in zijn voordeel zou zijn als hij ze zou bevestigen.

Na de LTS heeft Kerem nog een poosje gewerkt. Hij stond bekend als een harde werker, maar hij was zo stug in de contacten met zijn collega's dat hij niet te handhaven viel. Na zijn ontslag zat Kerem alleen nog maar thuis of bij zijn ouders.

In het Pieter Baan Centrum constateerde men bij Kerem vooral onverschilligheid, grote onverschilligheid. Het leek wel of hij elementaire gevoelens van verdriet en spijt ontbeerde. In zijn detentie wil hij ook niemand meer zien, behalve zijn advocaat. Vrouw en kinderen waren na één bezoek niet meer welkom. Ze stelden toch maar steeds dezelfde vragen.

De psychiaters achten hem sterk verminderd toerekeningsvatbaar. Hij zou een paranoïde inslag hebben, en vanaf zijn puberteit een schizofrene ontwikkeling hebben doorgemaakt. Door middel van de aanslag op zijn vader probeerde hij af te rekenen met een wereld waarmee hij niets meer te maken wilde hebben. Wat betreft Kerem kan iedereen de boom in, zo hoog mogelijk, helemaal uit zijn zicht.

De psychiaters vrezen dat hij zijn daad zal herhalen als hij vrijkomt. Zij adviseren tbs met dwangverpleging. De officier neemt het advies over, maar voegt er toch nog een eis van zes maanden onvoorwaardelijk aan toe. Daarmee kan de advocaat, A. Werners, zich niet verenigen. “Hij moet zo snel mogelijk behandeld worden. Daarin past geen gevangenisstraf.” En hij voegt eraan toe: “Er is een broek in beslag genomen, die zou mijn cliënt graag terug hebben.”

Kerem knikt - voor één keer laat hij zijn onverschilligheid varen. De broek is hem nader dan de vader.

(Het vonnis, twee weken later: conform de eis.)

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.