De 'klopgeest' van de Oeso

Net als andere grote internationale instellingen, waaronder het Internationale Monetaire Fonds (IMF), de Wereldbank en de Algemene Overeenkomst voor Tarieven en Handel (GATT), vindt de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) haar oorsprong in wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog. Weliswaar werd de OESO pas in 1961 opgericht, maar zij was de opvolger van de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking (OEEC) die was opgezet in verband met het Marshall Plan.

IMF en Wereldbank zijn uitgegroeid tot machtige en gezaghebbende instellingen. En aan het nut van de GATT wordt sinds het succes van de Uruguay-ronde door niemand meer getwijfeld. Wat is temidden van al die internationale fora de functie van de OESO? De in Parijs gevestigde organisatie staat vooral bekend als een 'studieclub' van de rijke industrielanden. Zij produceert gedegen studies over landen en over belangrijke economische thema's. Het werkloosheidsrapport dat vandaag officieel is gepresenteerd, is misschien wel het belangrijkste tot nu toe. Zeker in het licht van het recordaantal van 35 miljoen werlozen in het hele OESO-gebied. De grote aandacht die het document krijgt, vergroot het prestige van de OESO.

De organisatie beleefde ongetwijfeld haar finest hour tijdens de oliecrisis aan het begin van de jaren zeventig. Onder leiding van secretaris-generaal jhr. E. van Lennep maakten de industrielanden afspraken over voorraadvorming en distributie van olie. De samenwerking werd in 1974 beklonken met de oprichting door de OESO van het Internationaal Energie Agentschap (IEA). Het doortastend optreden van de OESO heeft destijds waarschijnlijk veel onheil voor de industriële wereld voorkomen.

Het zegt iets dat ingewijden meer dan twintig jaar moeten teruggaan voor het belangrijkste wapenfeit van de OESO. In één adem noemen zij 'Oost-Europa' als de grootste gemiste kans. Na de val van de Berlijnse muur werd de Europese Commissie door de top van de zeven grootste industrielanden (G7) aangewezen als coördinator van de hulp.

De ministers van de 25 OESO-landen zullen morgen, op de tweede dag van hun jaarlijkse bijeenkomst, zeker spreken over de “positionering” van de organisatie. In dit verband zijn de toelating van nieuwe lidstaten en de benoeming van een nieuwe secretaris-generaal aan de orde. Onlangs trad Mexico, dat nu rijker is dan de lidstaten Griekenland, Turkije en Portugal, als eerste natie uit de Derde Wereld toe. Uitbreiding is in Parijs een 'hot issue' sinds landen als Polen, Hongarije, Zuid-Korea, Singapore en Argentinië zich ook hebben gemeld. De voorwaarden voor toelating komen erop neer dat de landen een gezond macro-economisch beleid voeren en de vrije marktprincipes naleven. Dat laat veel ruimte voor interpretatie en discussie. De kleinere landen zullen bevreesd zijn dat hun invloed bij toelating van nieuwe leden afneemt.

Belangrijke lidstaten als de Verenigde Staten, Japan en Duitsland zouden volgens OESO-kringen hun belangstelling voor de organisatie wel eens kunnen verliezen, indien landen uit hun respectieve regio's niet op redelijke termijn worden toegelaten. Sommige nieuwkomers hebben inmiddels een 'partnerstatus' gekregen, waardoor in werkgroepen kan worden geparticipeerd. Met Rusland zal deze week een 'raamovereenkomst' worden getekend over nauwere samenwerking, al is zo'n overeenkomst nog niet van grote praktische betekenis. Ook gaan stemmen op om China op enigerlei wijze bij de OESO te betrekken. In Parijs wordt erop gewezen dat de economische studies van de OESO nog aanmerkelijk waardevoller zullen zijn, indien in dergelijke landen zelf onderzoek kan worden gedaan.

Volgens de huidige secretaris-generaal, de Fransman Jean Claude Paye, ligt de waarde van de OESO erin dat “op kalme en wetenschappelijke” wijze op vaak controversiële onderwerpen kan worden gestudeerd. Wanneer in de beslotenheid van de “clubgeest” van de OESO eenmaal een zekere consensus is bereikt, kunnen elders zaken worden gedaan. Te denken valt bijvoorbeeld aan de kwestie van vrijhandel en minimale arbeids- en milieunormen, waarover in GATT-verband hard wordt gestreden.

De OESO zou nadrukkelijker de 'denktank' worden van internationale politieke fora als bijvoorbeeld de G7 en de toekomstige WTO (Wereldhandelsorganisatie, opvolger van GATT). Volgens Jean Claude Paye moet de OESO zich bovendien ontwikkelen tot een 'paraplu-organisatie' voor de belangrijkste economische regio's in de wereld. Of hij dat zelf nog zal meemaken is hoogst twijfelachtig. Na twee termijnen van vijf jaar maken enkele tegenkandidaten meer kans. Door verdeeldheid van de Europese Unie - Frankrijk, Duitsland en Groot-Brittani'e - hebben elk hun eigen kandidaat - zal een beslissing nog wel weken op zich laten wachten. Ook al omdat de benoeming bij de OESO meedraait in de vacature-tombola, waarin ook de topfuncties bij de Europese Commissie, NAVO, WTO en WEU zitten.

Het door Paye geprezen “kalme, wetenschappelijke” karakter van de OESO moet volgens vrijwel iedereen worden behouden, omdat dit het gezag van de organisatie ten goede komt. Tegelijk tekent zich een meerderheid af, die de OESO een duidelijker gezicht naar buiten wil geven om te voorkomen dat haar geluid in het lawaai van G7, WTO, Europese Unie, IMF en Wereldbank ten onder gaat. Vandaar dat de Britse ex-minister van financiën Nigel Lawson en zijn Canadese ex-collega (en ex-leider van de regerende Liberale Partij) Donald Johnston de grootste kanshebbers zijn. Zij kunnen met hun politieke inslag bovendien het nogal bureaucratische imago van de OESO een face-lift geven. Bestudering van het organogram - de OESO telt zo'n 200 gespecialiseerde organen en bijna 2000 ambtenaren wier werkzaamheden die van andere instellingen soms overlappen - maakt duidelijk dat dit geenszins kwaad kan.