Bureaucratie op scholen verdringt eigen pedagogiek

TILBURG, 7 JUNI. “Er zijn geen inspirerende pedagogische totaalvisies meer. De pedagogische opdracht van een school wordt verengd tot een discussie over waarden en normen.” Rector M. Thijssen van het Dr. Knippenbergcollege uit Helmond schetst op het symposium 'Waar blijven de pedagogen?' in Tilburg een somber beeld van het belang dat de pedagogiek nog heeft voor de praktijk van het onderwijs. De pedagogiek heeft als resultaat van bezuinigingen “gekozen voor hard, risicoloos onderzoek: meetbare resultaten op een deelterrein”.

Het “vervreemdende” jargon van het bedrijfsleven dringt de scholen binnen, constateert Thijssen met spijt. “Orde houden heet classroom management, de opvoedkundige uitgangspunten vormen nu je mission statement.” Maar de pedagogische intenties van de pas ingevoerde basisvorming in de onderbouw verwateren: “Verschillen tussen schooltypen houden vaak meer of minder van het zelfde in.” De leraren moeten zelf maar zien dat iedere leerling “de kansen krijgt waarop hij of zij pedagogisch recht heeft”.

Prof.dr. R. Andrée, pedagoog en bijzonder hoogleraar in Utrecht voor 'levensbeschouwelijke opvoeding en vorming in een multi-religieuze context' geeft Thijssen gelijk. De schoolpedagogiek waarin “denken over de school als leefwereld van het kind” centraal stond, heeft zich in de jaren zeventig en tachtig ontwikkeld tot 'onderwijskunde' met “steeds meer onderwijstechnologische trekken”. “Dat professor Dodde, hoogleraar onderwijsgeschiedenis, onlangs zei dat het onderwijs niet langer de geschikte plaats is om op te voeden kan gezien worden als de wrange vrucht van die ontwikkeling.” Zonder een pedagogische visie waarin “héél de menswording van het kind” centraal staat, dreigen scholen “onderwijsleerinstituten voor de hersenactiviteit van mensenkinderen” te worden, aldus Andrée.

Leraren dreigen instructeurs te worden, klaagt rector Thijssen, “terwijl leren op school toch meer moet zijn dat leren op een commercieel instituut”. Maar Y. Houben, bestuurslid van de Nederlandse Katholieke Oudervereniging, betreurt het in het geheel niet dat er geen nieuwe pedagogische visies zijn. Ze verwijst naar de plannen van de 'Stuurgroep Tweede Fase' van het ministerie om het eindexamenprogramma te herzien en tegelijkertijd de didactische methoden te veranderen: meer rekening houden met individuele verschillen tussen leerlingen en grotere eigen verantwoordelijkheid van de scholieren. “Deze waarheden komen toch van pedagogen als Montessori en Boeke? Hebben we wel nieuwe nodig als we deze verworvenheden gewoon in de praktijk gaan brengen?”.

De leraren zelf lijken ook weinig bezorgd. L. Jussen, docent Engels in Oisterwijk, bepleit een oprecht geloof in de 'pedagogen van de werkvloer': de gewone leraren. “De pedagogen zijn er nog wel, ze heten alleen niet meer Steiner of Montessori, maar Van Nispen, De Jong en Broers.” Dat zijn de leraren die er achter komen dat het geen zin heeft om drie jaar lang scholieren de vervoegingen van haben, sein und werden bij te brengen, als ze het toch gelijk weer vergeten. “De pedagogen van de werkvloer zoeken buiten de lessen om naar mogelijkheden om jeugdige mensen op andere manieren te boeien. Onderwijs gaat voor hen verder dan leerstof overdracht.” Jussen benadrukt het belang van persoonlijk contact: een vriendelijk woord in het voorbijgaan op de gang, opmerkingen in de klas, “een extra persoonlijk praatje”.

Helaas is er op school weinig of geen tijd om over deze zaken tussen leraren onderling te spreken, aldus Jussen. “Invoering van Formatiebudgetsysteem en Lumpsum-financiering eist alle tijd op.” De pedagogische ruimte is te klein, zegt ook rector Thijssen: “door de bureaucratische rompslomp van ministerie en vakbonden. En alles moet vlug, veilig en goedkoop.”