Rem Koolhaas als de Johan Cruijff van de architectuur; De provocatie van het Spartaans bordeel

Gebouw: Grand Palais, Rijssel (Lille). Architect: Rem Koolhaas (OMA). Opdrachtgever: Gemeente Lille. Kosten: 275 miljoen Franse Frank (ongveer 125 miljoen gulden). Ontwerp: 1991. Oplevering: 1994

Rem Koolhaas is de Johan Cruijff van de architectuur. Cruijff is Nederlands beroemdste voetbaltrainer, Koolhaas Nederlands beroemdste architect. En net als de trainer van FC Barcelona wordt Koolhaas bewonderd of verguisd; een tussenweg is niet mogelijk. Voor de een zijn ze genieën, voor de ander mazzelige prutsers. Zowel Koolhaas als Cruijff wordt vaak arrogantie verweten. Ongetwijfeld is dit verwijt gebaseerd op het feit dat ze allebei zo nu en dan vertellen wat er mis is in de architectuur en het voetbal in Nederland. Dat doen ze niet altijd in even duidelijke termen, maar ontegenzeggelijk hebben beiden iets wezenlijks te zeggen. Anders is het niet te verklaren dat zoveel topspelers weglopen met Cruijff en Koolhaas op zoveel bewondering van vakgenoten kan rekenen.

De vergelijking gaat nog verder: zoals het grote FC Barcelona al sinds 1988 steunt op Johan Cruijff, zo heeft de stad Lille sinds hetzelfde jaar een rotsvast vertrouwen in Rem Koolhaas. Koolhaas ontwierp het stedebouwkundig plan voor Euralille, het gigantische complex dat stations, hotels, kantoren, woningen, een park en een congres-, expositie- en 'spektakel'-centrum zal omvatten. Aanleiding voor deze in totaal 5,2 miljard frank kostende onderneming bij het oude station Lille Flandres waren de bouw van de kanaaltunnel en het daarmee samenhangende gegeven dat vanaf 1995 elke dag een stuk of honderd Treinen met Grote Vaart (TGV) Lille zullen aandoen. Lille verwacht een verkeersknooppunt in Europa te worden en, anders dan in Amsterdam waar Koolhaas' plannen voor de IJ-oevers voor onbepaalde tijd zijn uitgesteld, bleef het in de stad van burgemeester (en ex-premier van Frankrijk) Pierre Mauroy niet bij gemijmer. Met een bewonderenswaardige voortvarenheid werd een van Europa's grootste bouwprojecten in gang gezet, dat laat zien dat de Franse bouwkundige dadendrang niet beperkt blijft tot de 'grands projets' van president Mitterrand in Parijs.

De contouren van de verschillende gebouwen, waarvoor onder meer de Christian de Portzamparc en Jean Nouvel als architect zijn aangetrokken, beginnen nu vorm aan te nemen. Het gebouw dat Koolhaas zelf ontwierp, het Lille Grand Palais, werd op vrijdag al geopend, hoewel het pas voor de helft klaar is. Uiteindelijk, in september 1994, zal het 'paleis' naast het nu voltooide congres- en expositiegedeelte nog een parkeergarage en een zaal van 5500 plaatsen voor 'spektakels' als rockconcerten bevatten. Met zijn menging van functies is dit gebouw op het lijf geschreven van Koolhaas, de architect die van 'congestie' een van de hoofdthema's van zijn oeuvre heeft gemaakt.

Ook in de door Koolhaas ontworpen Kunsthal uit 1992 speelde 'congestie', het samenbrengen van verschillende stedelijke functies in één gebouw een rol. Maar terwijl in het Rotterdamse gebouw de verschillende ruimtes werden ondergebracht in een platte doos, heeft Koolhaas het Grand Palais de vorm van een reusachtige teil gegeven. Toch zijn de verschillende onderdelen van het gebouw duidelijk herkenbaar: de parkeergarage is ondergebracht in een zwarte sokkel en het congresgedeelte in een smalle doos die de expositiehal scheidt van de concertzaal.

In het Grand Palais is goed te zien dat Koolhaas in zijn laatste ontwerpen steeds complexere vormen en ruimtes gebruikt. Zijn werk lijkt in een nieuwe fase te zijn gekomen. In een recent interview in het Duitse architectuurtijdschrift ARCH+ zei Koolhaas dat zijn bureau OMA zich had bevrijd van de drang naar een strenge en onverbiddelijke organisatie. Hij streefde nu, zo beweerde hij, naar wat de Franse filosoof Deleuze 'de gladde ruimte' noemt: een vloeiende en ongrijpbare ruimte.

In het Grand Palais is al iets van die bevrijding te bekennen: de hoekigheid van de Kunsthal heeft er plaats gemaakt voor welvende vormen. Zo hellen de buitenwanden van het Grand Palais geleidelijk in alle richtingen en het reusachtige dak dat de expostieruimte overdekt is niet recht, maar heeft een licht ingezakte vorm gekregen.

Ook het interieur van het congresgedeelte kent meer welvingen dan de Kunsthal. Daarvoor zijn vooral de drie amfitheaters (respectievelijk van 1500, 500 en 350 plaatsen) verantwoordelijk. Ze zijn met de ruggen tegen elkaar gelegd, waardoor de bezoeker bij binnenkomst tegen de betonnen onderkanten van de theaterbakken aankijkt. Koolhaas heeft hier weinig gedaan om de robuustheid van het grijze beton te verdoezelen, waardoor dit gedeelte van het congrescentrum vooral doet denken aan het desolate Olympisch Stadion in Amsterdam.

Maar wie zich niet laat afschrikken door de ongenaakbare entree, wordt verderop in het gebouw steeds opnieuw verrast. Door een naar voren hellende, met spiegelend metaal bedekte wand, bijvoorbeeld, of door uit het grote, schuin geplaatste driehoeken bestaande dak van het grootste amfitheater dat de suggestie wekt dat men zich in een reusachtig kristal bevindt.

Veel van de verrassingen komen voort uit het botsen van tegenstellingen: beton stuit op hout, paars op oranje en keurig afgewerkte details op opzettelijke slordigheden. De schitterende glazen façade van het congrescentrum, bestaande uit schuin gemonteerde platen, zegt het eigenlijk al: dit gebouw is niet gemakkelijk maar weerbarstig, brutaal en provocerend. Hier wordt de bordeelesthetiek van een wand met blauwe kussens gecombineerd met de Spartaansheid van zichtbaar gelaten leidingen, hier moet de luxe van gerieflijke fauteuils worden genoten in een zaal die is bekleed met golfplaat, het sloppenwijkmateriaal bij uitstek. Het is alsof Koolhaas in zijn congrespaleis opzettelijk conflicten heeft gecreërd. Ook wat dit betreft lijkt hij op Cruijff, wiens belangrijkste geloofsartikel immers zegt dat spelers het best functioneren in 'conflictsituaties'.