PvdA klaar voor VVD

De PvdA is al een half jaar klaar voor de VDD. Vorig najaar namen de sociaal-democraten een verkiezingsprogramma aan, gebaseerd op een economische groei van één driekwart procent per jaar. Daarmee volgde de PvdA een suggestie op van het Centraal Planbureau (CPB) dat de politici had gevraagd om zich deze keer niet van te voren rijk te rekenen. CDA, PvdA, VVD en D66 schikten zich in het zogeheten 'behoedzame scenario' en maakten hun verkiezingsprogramma's op basis van een economie die maar iets meer groeit dan wat minimaal noodzakelijk is voor een stijgende bevolking en een groter aantal bejaarden. Nauwelijks was er ruimte voor nieuw beleid: het verkiezingsprogramma van de PvdA stelde slechts 2,8 miljard voor aan nieuwe maatregelen (2,5 miljard aan nieuw beleid bij het CDA, 2,7 miljard bij de VVD en 3,6 miljard bij D66). Dat is ongelooflijk veel lager dan bij eerdere verkiezingen. Zelfs wanneer PvdA, VVD en D66 alle voorstellen uit hun verkiezingsprogramma's voor nieuw beleid opnemen in het nieuwe regeerakkoord, is het totaal van die maatregelen niet duurder dan 7 miljard (2,8 plus 2,7 plus 3,6 minus een aantal overlappingen: VVD en D66 willen meer politiemensen; PvdA en D66 eisen meer ontwikkelingshulp, VVD en D66 willen beide meer geld voor infrastructuur en alle drie de partijen willen meer werklozen of gedeeltelijk arbeidsongeschikte burgers inzetten in de zorgsector). Zeven miljard gulden is dus voldoende voor alle verlangens naar nieuw beleid uit de gecombineerde verkiezingsprogramma's van PvdA, VVD en D66. Vergelijk dat met het verkiezingsprogramma van de PvdA uit 1989, toen die partij alleen al nieuw beleid eiste ten koste van 14 miljard: de PvdA was bij de vorige verkiezingen twee keer zo duur als de drie beoogde regeringspartijen in 1994 tezamen. Bovendien bevatte het verkiezingsprogram van de PvdA uit juni 1989 veel wensen om eerdere bezuinigingen van Lubbers-Ruding weer op te heffen - begrijpelijk na zeven jaar oppositie tegen twee centrum-rechtse kabinetten - maar nauwelijks een woord over bezuinigingen waar de PvdA zelf achter zou kunnen staan. In het verkiezingsprogramma van 1994 accepteert zelfs de PvdA bijna 9 miljard aan ombuigingen en dat is opnieuw een wereld van verschil met het verkiezingsprogram uit 1989.

Naar mijn indruk beseffen veel nieuwe Kamerleden nog niet hoe veel gemakkelijker het regeren deze keer zal worden nu iedereen zich vrijwillig heeft gebaseerd op prognoses die haast alleen maar kunnen meevallen. Stel bijvoorbeeld dat de economische groei in 1995 eens niet uitkomt op de eendriekwart procent, waarop de verkiezingsprogramma's stoelen, maar op de tweeëneenhalf procent die het Planbureau nu al durft te voorspellen. Dat is driekwart van een procent meer, wat maar een klein breukje lijkt, maar voor het hele land toch neerkomt op viereneenhalf miljard gulden. De overheid ontvangt daarvan automatisch ongeveer de helft en dat is al meer dan genoeg om bijvoorbeeld het gehate toptarief in de inkomstenbelasting te verlagen van 60 tot 50 procent, of om de eerste schijf in de belastingen voor iedereen met een vol procentpunt naar beneden te doen. Zo'n belastingverlaging leidt op termijn tot tienduizenden extra banen. En houdt de economische groei aan in 1996, dan kan de minister van financiën opnieuw een voorstel doen voor nog lagere tarieven in de belastingen.

Als de onderhandelaars van PvdA, VVD en D66 nu maar strak vasthouden aan de super-voorzichtige veronderstelling over de economische groei, dan wordt het straks makkelijker regeren dan tijdens het vorige kabinet. Dat is veel belangrijker dan de vraag hoeveel miljard het regeerakkoord nu precies opneemt aan hypothetische bezuinigingen in 1998. Ministers lichten toch vaak de hand met eerder afgesproken bezuinigingen, en de ervaring leert dat de ministerraad hen dan zelden dwingt om alsnog serieus in plaats van 'zacht' te bezuinigen. De andere ministers hebben immers hetzelfde belang om bezuinigingen wel te beloven maar ze daarna niet serieus in te vullen. De onthullende studie van José Toirkens 'Schijn en werkelijkheid van het bezuinigingsbeleid' liet zien dat onder Lubbers-Ruding vaak dertig tot vijftig procent van de ooit afgesproken toekomstige bezuinigingen zonder effect bleef. Veel nuttiger is het wanneer de onderhandelaars nu afspraken maken, niet over hypothetische bezuinigingen in 1998, maar over concrete wetten voor 1995. Afschaffing van de ziektewet bijvoorbeeld, geeft bedrijven een veel groter financieel belang om hun zieke werknemers zorgvuldig te begeleiden en maakt een einde aan de schandelijke praktijk van de bedrijfsverenigingen die in tienduizenden gevallen per jaar nog te lamlendig zijn om een zieke behoorlijk te adviseren binnen het eerste ziektejaar. Als het nieuwe regeerakkoord inderdaad de ziektewet afschaft, bespaart dat niet alleen direct 600 miljoen per jaar maar leidt het tevens tot een veel lagere instroom in de WAO en dat betekent nog veel grotere toekomstige voordelen, zowel voor de betrokken werknemers als voor de financiën van de sociale zekerheid. Het zal dan niet zo moeilijk worden voor de drie partijen om per jaar een compromis te vinden over de beste combinatie van een lager financieringstekort en minder idiote belastingtarieven. Want het is altijd veel makkelijker om meevallers te verdelen dan om overeenstemming te bereiken over terugkerende tegenvallers in het financiële beleid.

Niet alleen lijkt de PvdA al geruime tijd klaar te zijn voor de VVD, de sociaal-democraten hebben een nieuw politiek avontuur ook dringend nodig. De PvdA dreigde af te zakken tot een partij van uitkeringstrekkers, ABVA-KABO-leden en nostalgische ouderen (zoals uw columnist), onder leiding van beroepspolitici die hun koers dan moeten laten bepalen door die clientèle. Het is niet gezond wanneer een grote politieke partij niet meer de pretentie kan waarmaken dat zij nationaal kan uitstijgen boven de belangen van steeds dezelfde deelgroepen. Nu biedt de paarse coalitie aan de PvdA het perspectief op een intellectueel spannende nieuwe regeerformule die intellectuelen, kunstenaars en hoger opgeleiden weer kan interesseren in haar toekomst. Lukt dat inderdaad, en het zal afhangen van de kwaliteiten van de volgende ministersploeg, dan kan de PvdA haar draagvlak gezond verbreden. Tegelijkertijd loopt het CDA het risico de kampioen te worden van GAK, bedrijfsverenigingen en gesorteerde andere organisaties uit het middenveld die onder vuur komen wanneer een nieuw kabinet inderdaad de ziektewet afschaft en ophoudt met het algemeen verbindend verklaren van CAO's. Valt het CDA in die kuil en stelt de partij zich pal achter elke aangevallen belangengroep, dan heeft het CDA in 1998 geen samenhangend platform voor een vernieuwend verkiezingsprogramma, maar wordt het de pleitbezorger van achterhaalde kartels en kongsies uit het muffe middenveld.

Als nu Kok, Bolkestein en Van Mierlo nog maar een paar weken zonder concessies vasthouden aan de eendriekwart procent economische groei! Dan ontbreekt alleen nog een nieuwe minister van financiën die even streng is voor de collega's als Kok, maar ook mooi kan spreken over lagere belastingen, privatisering en concurrentie. In 1998 gaat dan het paarse kabinet de verkiezing in met méér werkgelegenheid, lagere belastingen en - waarom niet? - een volgende verkoop van KPN-aandelen, maar dan vrolijk en trots vlak vóór die verkiezing in plaats van suffig een paar weken er na.