Nederlandse veteranen plengen een paar tranen

PONT-AUDEMER, 6 JUNI. Zij defileerden fier voor koningin Beatrix, de premiers Balladur en Lubbers en voor hun vrienden en strijdmakkers die er niet meer bij konden zijn, vijftig jaar later. De leden van de Nederlandse Prinses Irene-brigade riepen in Pont-Audemer met stoer geheven hoofden moeiteloos het beeld op van hun houding van toen. Een van hen, Jan Jansma, na afloop: “Ik voelde wel een paar traantjes. Het was erg ontroerend te worden toegejuicht door de Franse bevolking.”

Nederland heeft zijn aandeel in de bevrijding van Europa gistermiddag bescheiden gevierd, één dag voor de grote D-day-herdenkingen. Op 26 augustus 1944 verjoegen zij hier de Duitsers, die op de terugtocht waren maar nog niet verslagen. De kleine Normandische stad landinwaarts van de beroemde stranden was even veranderd in een levend monument voor die 1.205 Nederlanders die de daad bij het woord hadden gevoegd.

Zij kwamen destijds uit de hele wereld: Jan Jansma uit Zuid-Afrika, Hijman Roet uit België, Henry Houben gewoon uit Maastricht. De voertaal was Engels. Allen waren zij bereid geweest via gevaarlijke omzwervingen naar Engeland te reizen om zich daar in het verband van de Prinses Irene-brigade bij het Britse Tweede Legerkorps te voegen.

Zondag waren zij er weer, wie nog kon; 53 man van de Prinses Irene-brigade met het oranje-blauwe Normandië-koord om de schouder, veertig man van de Koninklijke Marine en zestig andere oud-strijders. Vriendschappelijk begeleid door mannen die later in hun schoenen waren gestapt. Drie generaties mariniers zagen er op toe dat hun helden de emotionele bedevaart heelhuids volbrachten.

Na een kranslegging 's morgens op het stadsplein van Pont-Audemer zegt een oud-marinier: “Die daar zal het niet gauw zeggen, maar hij heeft de Militaire Willemsorde ontvangen.” Waarop de besprokene, nog met vochtige ogen, zich omdraait en zegt: “Nee, dat is Hoeben met een e, ik draag een ordetje lager.” Henry Houbens borst hangt niettemin vol, met twee rijen onderscheidingen van belang. Zijn verhaal, terughoudend verteld, geeft een idee waarom.

Hij kwam in 1938 in dienst als jonge jongen. Tijdens de slag om Rotterdam in mei 1940 vocht hij om de Maasbruggen. In plaats van zich over te geven ging hij in het militair verzet. In 1943 week hij via België, Frankrijk, Zwitserland, Spanje en Portugal als Engelandvaarder uit naar Groot-Brittannië. Met de Prinses Irene-brigade landde hij in 1944 als marinier in Normandië, waar Canadese parachutisten duizenden Duitsers achter prikkeldraad als krijgsgevangenen achterlieten. Vele waren nog gewapend. Een onaangename prooi.

Pag.5: Jeeps, campingsmokings en duiven

De brigade trok vervolgens noordwaarts en vervulde een nuttige rol in België. Later ging Houben naar de VS om te worden opgeleid voor de bevrijding van Azië. Tot in augustus '45 Japan capituleerde. Toen restte Indië. Zo liepen alle Nederlandse veteranen met een hoofd vol herinneringen door het vriendelijke stadje. De burgemeester bereidde hen, niet voor de eerste keer, een hartelijk welkom.

Ook onder de ruim 8.000 stedelingen waren er genoeg die nog wisten waar zij voor zijn gekomen. Georges Ebran was zes toen Pont Audemer werd bevrijd. Zijn ouders hadden hem verstopt in het Paleis van Justitie. Toen hij te voorschijn kwam, waren de Nederlanders present in het deels weggebombardeerde stadje.

Zijn meest levendige herinnering bewaart Ebran overigens aan die Amerikaanse vrachtwagen die wat later sinaasappels en ander eten kwam brengen. Hij krijste het uit toen een GI hem optilde: de soldaat was zwart als ebbenhout. Later zou Georges drie jaar in de Algerijnse oorlog vechten en meer huidskleuren leren kennen. In '44 was het een schok.

De invasie van Hollanders bleef gisteren in Pont-Audemer een dromerige bedoening. Geheel incognito liepen door de lange dorpsstraat de demissionaire minister-president en minister van defensie naar de tribune tegenover het stadhuisje. Het talrijk opgekomen volk had geen idee wie die heren in grijze pakken wel mochten zijn. De race om de opvolging van Delors heeft Normandië niet in zijn greep.

Toen later Hare Majesteit in een stemmig en toch opgewekt complet met de Franse eerste minister door de Rue de la République voortschreed, begreep Pont-Audemer dat het menens werd met de bi-nationale plechtigheid. Premier Lubbers had in afwachting van het hoogste gezelschap op de eretribune nog even gelegenheid gehad met minister Juppé van buitenlandse zaken het wereldtoneel door te nemen.

Vóór de Nederlandse helden zich in een grote tent achter het Hôtel de Ville konden laven en verbroederen werden het staatshoofd, de regeringsleiders en de andere genodigden door leden van de vereniging Keep 'em Rollin' getracteerd op een defilée van oude legervoertuigen. Wat een aardige herinnering aan het materieel van toen had kunnen zijn, werd een te lange intocht van naoorlogse helden die in campingsmokings en oranje klompen, met getoeter, geheven duimen en bier lieten zien dat herdenken op veel manieren kan. Het lossen van een partij duiven bracht daarna iets terug van de vrede die eerder zo weldadig had geheerst.

In de tuin van het stadhuis legden de koningin en de minister-president een krans bij het kleine monument. Een veteraan sprak met de MP terwijl hij een cassetterecorder voor zich uit hield: een gesprek voor het geluidsplakboek.

Was het jammer niet aan de echte D-day te hebben meegedaan? Jan Jansma: “Welnee. Goddank hoefden wij dat niet. Toen zijn er veel slachtoffers gevallen.” Op de terugweg naar het noorden kreeg hij nog het Belgisch Oorlogskruis. Daarna ging hij terug naar Zuid-Afrika. Dat was de Prinses Irene-brigade misschien vooral: een moedig bewijs dat overtuigde Nederlanders overal voorkomen.