Groene Hart

In NRC Handelsblad van 28 mei schrijft Zef Hemel over de Randstad en het Groene Hart. Hij vindt dat het beleid van compacte verstedelijking onmogelijk kan samengaan met het behoud en het ontwikkelen van de groene ruimte binnen de stedenring. Dit standpunt is verdedigbaar, maar Hemels artikel geeft een twijfelachtige wending aan het debat. Hij geeft een karikaturale weergave van de voorstellen van de regering over deze gebieden.

Bovendien ontbreekt hem de kennis van de kernpunten van het verstedelijkingsbeleid en de wijze waarop dit tot stand is gekomen. Hij suggereert dat uitspraken over het samengaan van welvaartsbevordering en het streven naar duurzame ontwikkeling verwijzen naar de huidige stand van zaken. Het gaat natuurlijk om doelstellingen waarop het beleid gericht dient te zijn. In de tweede plaats worden ruimtelijke concepten zoals de compacte stad, het Groene Hart (expliciet), blauwe kamers, ecologische hoofdstructuur (impliciet) afgedaan als wereldvreemde hersenspinsels van enkele verdekt opgestelde rijksplanologen. In werkelijkheid worden deze denkbeelden gedragen door vrijwel alle betrokken departementen, provincies, waterschappen, de meeste gemeenten in het gebied en zelfs door het grootste gedeelte van het bedrijfsleven.

De auteur adviseert planologen om de Tweede Nota over de Ruimtelijke Ordening (1966) weer van stal te halen. Blijkbaar moeten de laatste restjes groen verdwijnen onder de suburbane huizenzee. Omdat het openbaar vervoer toch niets wordt, bedekken we de rest van het land met een dikke laag asfalt. Dat was namelijk enigszins gechargeerd het toekomstperspectief van de Tweede Nota voor het jaar 2000 met een bevolking van 20 miljoen.

Met één uitspraak in dit pleidooi ben ik het hartgrondig eens. “Er is meer dan ooit behoefte aan planologen, maar ook aan politici, die de wensen en verlangens van de samenleving vorm kunnen geven en daarbij niet hun toevlucht zoeken in een of ander mystiek verhaal.”