'Gebrek aan een cricketcultuur nog geen nadeel'

DEN HAAG, 6 JUNI. Voor David Trist is het al meer dan tien jaar zomer. Sinds het begin van de jaren tachtig pendelt de huidige hoofdcoach van de cricketbond tussen Nieuw-Zeeland en Nederland, de cricketloze wintermaanden in beide landen met zorg vermijdend. Het Nederlandse cricket, zegt de Nieuwzeelander, biedt meer uitdagingen dan ooit. “En ik wil erbij zijn.”

Het Nederlands elftal kwalificeerde zich in maart voor het eerst in de geschiedenis voor het wereldkampioenschap voor A-landen. Om bij dat kwalificatietoernooi in Kenia aanwezig te zijn zegde Trist zijn baan als manager van het zuidelijke district Canterbury op. Tot en met 1997 blijft Trist zes maanden per jaar bondscoach. “Als wij bij het WK '96 Nieuw-Zeeland kunnen verslaan, zou dat het hoogtepunt van mijn carrière zijn.”

Het succes in Kenia, waar Nederland derde werd achter de Verenigde Arabische Emiraten en het gastland, heeft Nederland eindelijk een plaats gegeven op de landkaart van de grote cricketnaties, zegt Trist. In het verleden moesten de Nederlandse spelers geld bijleggen voor een buitenlandse trip. Sinds het B-toernooi in de Oostafrikaanse staat stromen de uitnodigingen binnen: uit Hongkong, Bangladesh, de Emiraten en opnieuw Kenia. Nederland zal tijdens de aanloop naar het WK vooral tegen dit soort landen spelen. Trist wil de loodzware tours naar de A-landen nog even uitstellen. “Australië, Zuid-Afrika en West-Indië zijn een paar maatjes te groot. We zouden verschrikkelijk verliezen. Daar heeft niemand wat aan. We schakelen een versnelling hoger, maar we moeten oppassen voor de overdrive. Dan krijg je ongelukken.”

David Trist heeft met zijn ambitieuze plannen voor het Nederlandse cricket in de loop van de jaren de juiste snaren weten te raken bij KNCB. Terwijl Trist zijn eerste Nederlandse trainingen gaf bij de Koninklijke UD in Deventer, verzette de cricketbond zich nog hevig tegen een aantal door particulieren gesponsorde trips naar onder meer Zuid-Afrika, Sri Lanka en de West-Indies. Het elftal was gedwongen te reizen onder de naam van de sponsor - onder de KNCB-vlag mocht het team niet uitvaren.

Dat de tijden inmiddels veranderd zijn bleek wel toen die ruim honderd jaar oude cricketbond, kort na het B-WK in maart, een tot voor kort ondenkbaar geacht voorstel aannam dat voorzag in de betaling van de internationals. Dertig spelers, verdeeld over een Nederlands A- en B-elftal, tekenen de komende periode een contract waarin zij hun beschikbaarheid tot en met het volgende kwalificatietoernooi (in 1997) vastleggen. Dit laatste om te voorkomen dat de spelers het na het A-WK voor gezien houden. “Het is niet meer aanvaardbaar dat spelers die elk jaar een paar weken van huis zijn zelf geld moeten meebrengen”, zo verklaart Nederlands-elftalmanager John Wories de gedeeltelijke opheffing van de amateurstatus. Rijk zullen de spelers er overigens niet van worden, weet hij al op voorhand. Toch zal de nieuwe hoofdsponsor waarnaar de bond op zoek is zo'n 600.000 gulden op tafel moeten leggen voor de komende drie jaar.

Met dat geld kan Trist, die in eigen land behalve cricketcoach ook marketing-adviseur is, de komende twee jaar zijn belangrijkste troeven uitspelen. Eén daarvan is de aanstaande deelname aan het prestigieuze Britse toernooi om de NatWest Trophy, een knock-out-competitie waaraan alle Engelse counties deelnemen. Hoeveel Nederland daar te zoeken heeft blijft nog even de vraag, maar de knappe prestatie die het Nederlands B-elftal vrijdag in Den Haag neerzette tegen Leicestershire, momenteel in de Engelse top 3, onderstreept Trists bewering dat “het Nederlands cricket meer krediet verdient dan het krijgt”. “We hebben een aantal spelers die het zeer goed doen in de Engelse competitie, al kan dat ook tegen je werken”, zegt Trist, doelend op het verlies van oud-Excelsior-speler André van Troost. De Schiedamse fastbowler komt niet meer voor Nederland uit omdat hij op den duur voor Engeland wil spelen. De doorbraak in Engeland illustreert volgens Trist dat het gebrek aan 'cricketcultuur' op het Europese continent niet bij voorbaat een nadeel hoeft te zijn. “Nederland heeft niet minder talenten dan Engeland. Maar hier moet je wel de infrastructuur verbeteren waarin dat talent zich ontwikkelt.”

Voor wat betreft de coaching heeft Nederland weinig te klagen. Sinds de KNCB de clubs in 1980 toestond één betaalde speler/coach aan te trekken heeft een ware stoet van gelouterde professionals uit alle windstreken de Nederlandse cricketvelden aangedaan - namen waarvan Engelse clubs en scholen alleen maar kunnen dromen. Trist heeft er wel moeite mee dat diezelfde velden maar een maand of vier per jaar beschikbaar zijn - buiten de zomer wordt erop gevoetbald of gehockeyed en zijn cricketers tot de sporthal of het buitenland veroordeeld.

Wil Nederland echt een sprong voorwaarts maken, zegt Trist, dan moet er een graspitch worden aangelegd. Terwijl in de meeste sporten wordt gestreefd naar zoveel mogelijk gelijke omstandigheden voor alle spelers, zweren de grote cricketlanden nog steeds bij de wisselvalligheid van het echte gras. “Cricket is nooit bedoeld om voorspelbaar te zijn. Een pitch moet leven, veranderlijk zijn. De spelers moeten zich daaraan aanpassen. Dat is de charme van het spel.” In Nederland is voor zo'n dure en vooral bewerkelijke luxe nog geen geld gevonden, al ziet de KNCB er de noodzaak van in. Met de gemeente Amstelveen wordt al enkele jaren onderhandeld over de aanleg van een grasstrook van twintig meter in het Amsterdamse Bos. Trist: “Als ik in september terugkeer naar Nieuw-Zeeland in de wetenschap dat die graspitch er volgend jaar ligt, heb ik dertig procent van mijn doelen bereikt.”