Franse behoefte aan verdieping van Europese Unie is bedrieglijk

De Europese Unie dreigt te bezwijken onder de aanwas van nieuwe leden. De Franse Europa-minister Alain Lammassoure stelde de stichting van een kerngroep voor. Ogenschijnlijk strookt dit met de Nederlandse opvattingen, maar, schrijven L.J. Bal en J.O.Th. Rood, de Frans-Duitse hegemonie die dan ontstaat is niet het Europa dat wij voor ogen hadden.

Het 'Europa van meer snelheden' wint aan populariteit. De jongste steunbetuiging komt uit onverdachte hoek. In een artikel in Le Monde (afgedrukt in NRC Handelsblad van 31 mei) deed de Franse Europa-minister Alain Lamassoure het voorstel om bij de voor 1996 voorziene herziening van het Verdrag van Maastricht een 'nieuw stichtingscontract' te sluiten tussen de lidstaten van de Unie, waarbij een kerngroep van landen - de 'nieuwe stichters' - de mogelijkheid krijgt om op een aantal terreinen in een hogere versnelling te integreren. De overige lidstaten volgen dan in eigen tempo. Deze kerngroep zal gegroepeerd zijn rondom Frankrijk en Duitsland. De terreinen die zich in Lamassoure's visie voor snellere integratie lenen, zijn niet de minste. Hij noemt de monetaire integratie, veiligheid en defensie en de justitiële samenwerking.

Het voorstel van Lamassoure is op het eerste oog aantrekkelijk door zijn helderheid van filosofie. Bij ongewijzigd beleid zal de Unie wegens het toenemende aantal leden door haar eigen fundament zakken. Maar de noodzakelijke hervorming zal door tegenstand van huidige en nieuwe lidstaten niet van de grond komen. De vorming van een kerngroep zou de uitweg uit dit dilemma moeten zijn. Alle lidstaten moeten hetzelfde einddoel onderschrijven en mogen alleen in tempo differentiëren. De kopgroep zal zich bovendien op alle 'keuze-onderwerpen' manifesteren. Lastige lidstaten als de geldvragende Grieken of de brommende Britten kunnen zich, ten slotte, door de introductie van het recht van afscheiding naar de uitgang begeven of op non-actief worden gesteld zonder het proces van integratie te kunnen stoppen.

Maar het voorstel zou niet uit Franse koker afkomstig zijn als het niet ook typisch Franse belangen diende. Het is het Franse antwoord op de Duitse wens de Unie in Oostelijke richting uit te breiden. Zoals Kohl het formuleerde, de Oostgrens van de Unie mag niet ophouden bij de Duitse oostgrens. Een, zoals Jonathan Eyal 2 juni in deze krant nog schreef, uit oogpunt van stabiliteit loffelijk streven, maar in Franse ogen vooral een schrikbeeld. In een naar het Oosten uitgebreide Unie zal de Franse positie verder verzwakken. Duitsland zal daarbinnen, zo wordt in Franse kringen gevreesd, het kernland zijn met zijn eigen geprivilegieerde relaties met de Oostburen. Deze angst voor Duitse hegemonie werd kort geleden nog onder woorden gebracht door de eigenzinnige Franse ambassadeur Scheer in Bonn.

Lamassoure's voorstel is vooral bedoeld om dit gevaar te bezweren en de uitbreiding te vertragen. 'Verdieping' in de vorm van een kopgroep moet plaatsvinden voordat de Oosteuropeanen kunnen toetreden. Oosteuropese landen kunnen alleen tot de Unie toetreden als zij 'in vrede leven met hun buren': een nieuw criterium dat ook tijdens de Stabiliteitsconferentie mede door Frankrijk subtiel is onderschreven. En als de Oosteuropese landen dan eindelijk lid zijn, dan is de Franse positie vis à vis Duitsland nog eens extra verzekerd doordat zij beide lid zijn van de kopgroep. Het gaat de Fransen in feite niet om verdieping. Een indruk die nog eens versterkt wordt doordat het Franse plan voorstelt om met een kleine groep datgene te doen dat in 'Maastricht' reeds is afgesproken. Nee, het gaat om het behoud van de Franse positie ten opzichte van Duitsland. Het plan past aldus uitstekend in een lange traditie van 'Grand Designs', die behoud van het Franse leiderschap tot doel hebben.

Maar los van deze overwegingen is er de vraag of het voorstel hoe dan ook haalbaar en wenselijk is. De haalbaarheid ervan staat en valt met de mogelijkheid om een voldoende eensgezinde en krachtige kopgroep te vormen die in staat is om op alle door Lamassoure genoemde beleidsterreinen het voortouw te nemen. Lukt dat niet, dan dreigt alsnog het 'Europa à la carte'. De vorming van zo'n kerngroep stuit bijvoorbeeld op het probleem dat in het geval van de monetaire integratie België en Italië bij lange na niet aan de EMU-criteria kunnen voldoen; criteria die juist voor Duitsland ononderhandelbaar zijn. Dan is er Frankrijk zelf, dat door zijn eigen beleid de nodige schade heeft toegebracht aan kopgroepen zoals het EMS en Schengen. De Britten liggen vaak dwars, maar is Europese defensiesamenwerking in het kader van de WEU mogelijk zonder actieve betrokkenheid van Engeland voor Nederland wel acceptabel? Het voorstel zelf, ten slotte, onderstreept het wantrouwen dat de Frans-Duitse relatie beheerst. Breuklijnen te over dus om een coherente kopgroep onmogelijk te maken.

Wat zullen de spelregels binnen deze kopgroep zijn? Lamassoure spreekt over een 'communautaire gemeenschap (. . .) met eigen discipline en instanties met eigen beslissingsbevoegdheid'. Maar was het niet Frankrijk dat de samenwerking op het terrein van veiligheid en justitie in 'Maastricht' expliciet intergouvernementeel wilde houden? Van de Franse liefde voor het Europese Parlement of voor de Commissie is ook weinig bekend. De woorden lijken hier kortom meer te suggereren dan waarschijnlijk is. Het begrip conventie dat Lamassoure gebruikt is in dit opzicht veelzeggend; een 'staten-contract' dat wijst in de richting van gaullistische samenwerking tussen natie-staten en weinig van doen heeft met de Nederlandse visie van supranationale integratie.

Maar juist voor de kleinere landen die tegen de 'Frans-Duitse tandem' aanschurken, zullen adequate institutionele, dat wil zeggen communautaire, 'checks and balances' in dit kleine gezelschap van nog grotere betekenis zijn. Een voorproefje van wat hen te wachten staat, is de wijze van optreden van Frankrijk en Duitsland bij de opvolging van Delors. De rest wikt, maar de tandem beschikt. In een rondom deze twee gegroepeerde kopgroep worden de kleine lidstaten nog verder gemarginaliseerd.

Moet Nederland deze ingenieuze Franse uitweg uit de verbredings- en verdiepings-discussie omarmen? Het pleidooi van Lamassoure om eerst te verdiepen voordat Oosteuropese lidmaatschapsaanvragen worden behandeld, lijkt op het eerste gezicht te stroken met de Nederlandse opvattingen. Bovendien wordt in Nederland in tal van rapporten het idee van een meer-snelheden integratie met een sterke kerngroep onderschreven. De Franse wil tot 'verdieping' is echter bedrieglijk. Europa à la Lamassoure leidt tot een intergouvernementeel Europa waar tijdelijke uitzonderingen omgezet kunnen worden in permanente regelingen. Dit is met andere woorden een Europa met een sterke Frans-Duitse hegemonie binnen de kerngroep zonder duidelijke institutionele en juridische waarborgen. Dit Europa heeft Nederland juist altijd willen voorkomen.