Bunnik; Bunnikse kattenmepper laat poezen spoorloos verdwijnen

BUNNIK, 6 JUNI. In de Oranjebuurt in Bunnik is geen kat meer veilig. In de afgelopen jaren is in deze kleine lommerrijke wijk een onwaarschijnlijk groot aantal poezen spoorloos verdwenen. Bewoners zijn er van overtuigd dat een 'kattenmepper' het gemunt heeft op de Oranjebuurt. En waarschijnlijk woont de dader in hun midden, zegt bewoonster J. Jansen. “Als er weer een kat is verdwenen, heb ik geen zin om iemand gedag te zeggen.”

Mevrouw Jansen voert al jaren strijd voor de veiligheid van haar poezen. In 1991 richtte zij een actiecomité op, nadat gebleken was dat veel buurtbewoners op onverklaarbare wijze een kat waren kwijtgeraakt. De Oranjebuurt telt twaalf straten met driehonderd adressen en volgens de berekeningen van Jansen zijn hier in twaalf jaar tijd honderd katten verdwenen.

De Oranjebuurt wordt ingesloten door de Kromme Rijn, een provinciale weg en het spoor Arnhem-Utrecht, waardoor het voor katten niet aantrekkelijk zou zijn om op avontuur te gaan. “Er wordt nooit iets teruggevonden”, zegt Jansen. “Als ze op de weg of op de rails worden aangereden, zie je er altijd nog iets van terug. De Kromme Rijn wordt regelmatig schoongemaakt en ook dan wordt er niks gevonden.”

Alles is al geprobeerd. Er zijn 's nachts vuilnisbakken leeggehaald en er is gepost. Navraag bij de faculteit diergeneeskunde, die twee kilometer verderop ligt, leerde dat daar alleen zelfgekweekte exemplaren worden gebruikt. Bij de plaatselijke poelier is geïnformeerd of er wel eens kattebouten worden aangeboden, maar ook dat bleek niet het geval. Jansen: “Als leek zie je het verschil niet tussen een kat en een konijn. En in de oorlog werd ook kat gegeten, zo heb ik gehoord.”

Zelf raakte ze binnen twee jaar drie katten kwijt. Nadat rond Pasen in de buurt opnieuw drie poezen werden vermist, besloot het comité de strijd te hervatten. Het schreef een open brief aan de kattenmepper (“misschien maken we wel eens een praatje”) en in een onderhoud met de burgemeester werd aangedrongen op actie. Na overleg met de politie wordt nu een enquete in de buurt gehouden. Terwijl dat alles aan de gang is, raakte mevrouw Jansen eind mei ook Schwarze, haar laatste poes kwijt.

Bij de Bunnikse politie heerst enige scepsis over de becijferingen van het kattencomité, erkent rayonchef E.R. Graveland. “Wij hebben geen indicatie dat er in de Oranjebuurt meer katten verdwijnen dan elders. Maar het zit de bewoners heel hoog en het dreigt nu een sociaal-maatschappelijk probleem te worden. We willen meewerken het probleem de wereld uit te helpen.”

Na de verdwijning van Schwarze is voor het eerst een mogelijk spoor gevonden. Een buurtbewoner heeft onder een heg een stukje vlees gevonden. “Het zou een stukje barbecuevlees kunnen zijn dat door een kat of een vogel is meegenomen”, veronderstelt Graveland. “Om de mensen gerust te stellen zijn we bereid om het op de aanwezigheid van giftige stoffen te laten onderzoeken bij het gerechtelijk laboratorium. Maar het heeft geen hoge prioriteit, dus dat kan wel veertien dagen duren.”

Inmiddels koestert de Oranjebuurt verdenkingen tegen enkele medebewoners. “Er zijn altijd mensen van wie je denkt dat ze tot zoiets in staat zijn”, geeft mevrouw Jansen toe. Vooralsnog zijn er echter geen harde aanwijzingen. “We kunnen alleen maar met een duidelijke daderindicatie werken”, zegt Graveland. “Als de mensen alleen vermoeden dat een bepaalde buurtbewoner de kattenmepper is, kunnen wij die persoon daar natuurlijk niet op aanspreken.”