Werkloosheid: uiteenlopende voorzieningen

Om het risico van werkloosheid af te dekken, is de premie in Duitsland het hoogst: werkgever en werknemer dragen hiervoor beide 3,25 procent af. In België is de premie het laagst: de werknemer betaalt 0,87 procent, de werkgever 1,47 procent. Evenals in Duitsland betalen Nederlandse werkgevers en werknemers dezelfde bijdrage aan de WW. Anders dan in de buurlanden wordt de premie in Nederland per bedrijfstak vastgesteld: in de metaalnijverheid is de premie (inclusief wachtgeldbijdrage van 0,47 procent) in 1994 voor beide vastgesteld op 2,47 procent.

De verschillen in premiehoogte hangen maar voor een deel samen met de verschillen in uitvoering. Zo krijgen Belgische werklozen (die hun geld via de vakbond krijgen) weliswaar de laagste uitkering, maar daar staat tegenover dat de uitkeringsduur in principe onbeperkt is. Gezinshoofden houden recht op 60 procent van hun gemiddeld verdiende loon. Alleenstaanden zakken na een jaar terug tot 42 procent en samenwonenden krijgen twaalf maanden 55 procent en vallen dan terug naar 35 procent. De werkloosheidsuitkering is belast.

In Duitsland krijgt een werkloze een uitkering die afhankelijk van de gezinssamenstelling varieert van 63 tot 68 procent van het netto inkomen. Afhankelijk van het arbeidsverleden duurt deze uitkeringsperiode 17 tot 52 weken, daarna valt de uitkering (voor een onbeperkte periode) terug tot 56 à 58 procent. De uitkering is onbelast.

Nederlandse werklozen hebben gedurende een halfjaar recht op een basisuitkering van 70 procent van het (gemaximeerde) dagloon. Afhankelijk van de duur van het arbeidsverleden kan deze uitkering met maximaal 4,5 jaar verlengd worden. Vervolgens krijgt de werkloze nog een jaar lang een uitkering van 70 procent van het minimumloon (3,5 jaar als hij ouder is dan 57,5 jaar). De uitkeringen zijn belast. Wie daarna nog geen werk heeft, moet een bijstandsuitkering aanvragen. Pas vanaf dit moment gaat ook de gezinssamenstelling een rol spelen bij de bepaling van de uitkeringshoogte.