Walter Hofmann: 'Als we de oorlog hadden gewonnen, zou het ons vandaag slechter gaan.'

Overmorgen wordt de invasie van Normandië herdacht. Maar wat wordt er nu precies herdacht: alléén West-Europa's bevrijding van het nazisme, of ook de vestiging van de Duitse democratie? Een portret van drie Duitsers die in juni 1944 als militair in Frankrijk dienden. 'Als Duitsland gewonnen had, hadden we heel Europa moeten controleren, dat was toch zeker niks geworden.'

Proper is het straatje in een buitenwijk van de provinciestad Giessen (Hessen) waar de gepensioneerde leraar Walter Hofmann woont. Het rechthoekige huis waar hij na de oorlog met zijn ouders introk, is dat ook. Eén recht, één averecht in de tuin. Smetteloze voordeur, blank gepoetste hal. Servieskast aan de muur van de woonkamer, tafel in het midden, rechte stoelen, diepe vensterbank. Langs een andere muur op een bank stapeltjes documenten, notities en boeken over zijn eerste leven, dat eindigt als hij begin '47 als krijgsgevangene uit het Oekraïnse Koersk naar de Heimat terugkeert.

Hofmann, een schrale lange man, is 28 mei 1922 in Alsfeld bij Fulda geboren, vanwaar hij als kind naar Giessen verhuist. Zijn vader is daar dan leraar en treedt in de jaren dertig toe tot Hitlers NSDAP. Wanneer precies, weet Walter niet, maar het zal niet zó lang na 1933 zijn geweest. Hij herinnert zich dat hij zelf lid van de Hitlerjugend is als hij naar de middelbare school gaat (1934-'40). Als 18-jarige - “ik geloof niet dat het me gevraagd is” - blijkt hij ook lid van de NSDAP te zijn.

Dat merkt hij nadat hij Oberrealschule-B en rijksarbeidsdienst heeft gedaan en - herfst '38 - in Kassel opkomt voor een militaire opleiding als chauffeur. Hofmann wordt ingedeeld bij de aan- en afvoertroepen van een infanteriedivisie en doet dienst in Oostenrijk en in het bezette Tsjechoslowakije. Pas zomer 1941 krijgt hij 'echt' met de oorlog te maken als zijn divisie aan het Russische front wordt ingezet en hij met zestig andere chauffeurs over steeds grotere afstanden munitie-, voedsel- en onderdelen-transporten via Brest-Litovsk rijdt, uiteindelijk tot zo'n honderd kilometer voor Moskou. Voorjaar '42 keert hij drie maanden naar Duitsland terug, de vrachtwagens moeten in de revisie.

Juni '42 is zijn divisie aan het zuidelijke front toegevoegd. Aanvankelijk rijdt Hofmann in de richting Stalingrad, na een paar maanden wordt zijn divisie verder naar het zuiden verplaatst en raakt de route Kiev-Rostov-Pjatigorsk hem vertrouwd. Dan heeft hij geluk: hij moet wegens een oorontsteking worden geopereerd en daarna in Krasnodar maanden herstellen van een geelzucht-aanval. De krijgskansen zijn intussen, voorjaar '43, dramatisch gekeerd. Het Rode Leger is tot Charkov doorgebroken en een groot deel van het tankleger onder generaal Von Kleist gesneuveld of gevangen geraakt. Hofmann ontkomt als een van de laatsten langs de resten van het Koeban-bruggehoofd uit het Kaukasus-gebied naar Kertsj (aan de Zee van Azov).

Hij vertrekt per trein naar Kraków, waar nog tien van zijn vroegere collega-chauffeurs over blijken te zijn. Hofmann heeft weer geluk, hij wordt pionier en krijgt als een van de weinigen van het Russische front een 'westelijke' bestemming: de 21ste tankdivisie in Orléans, die in Noord-Afrika zwaar gedecimeerd is en nu - december '43 - deel wordt van legergroep B onder veldmaarschalk Rommel. De gewezen elite-divisie heeft nogal wat onervaren soldaten en is middelmatig bewapend, er rijden tanks in rond met buitgemaakte Franse kanonnen op Duits onderstel. De nieuwe 62-tons Tiger-tanks zijn nog maar mondjesmaat beschikbaar en bovendien al voor hun transport uit Ohrdruf (bij Erfurt) door bombardementen zó beschadigd dat hun richtmiddelen veelal onherstelbaar kapot zijn. Rommel, die beter dan het Wehrmacht-commando in Berlijn weet waar een geallieerde invasie moet worden gerekend, laat in het gebied tussen Orléans en Caen overal versterkingen aanleggen. April '44 zegt hij tegen een nieuwe regimentscommandant, Hans von Luck, dat hij Hitler er vergeefs van heeft proberen te overtuigen dat de nederlaag onvermijdelijk is, en eigenlijk nog slechts kan worden vertraagd, als het de geallieerden zou lukken een tweede front in het westen te vormen.

Rommel: “We moeten elke tegenstander die voet op Franse bodem zet al in de eerste uren in zee terugjagen. Maar dat lukt alleen als onze tankdivisies aan de kust staan en we genoeg vliegtuigen tegen de sterke geallieerde luchtmacht kunnen inzetten. Göring heeft ons in Afrika al eens in de steek gelaten en zich ook bij Stalingrad niet aan zijn beloftes gehouden. Dat hij, zoals hij zegt, 'duizend' jachtvliegtuigen hierheen wil sturen, geloof ik dus niet.” (Zo geciteerd door Hans von Luck: Gefangener meiner Zeit, Ein Stück Weges mit Rommel, Mittler Verlag, Herford, 1991, pag. 185/186.)

Maar ook uit Hofmanns dagboek, waaruit hij in '92 op verzoeken uit Caen een militair verslag maakt, blijkt dat de verdediging tegen de invasie om een aantal zwaarwegende redenen haast niet kon lukken. Dat de legerleiding in Berlijn, en Hitler, ook na 6 juni blijft geloven dat de echte invasie niet in Normandië, maar bij Calais zal komen is niet zomaar een misrekening. Nee, die misvatting leidt ertoe dat noordelijker gelegen Duitse divisies zich niet, of pas dagen of weken later, in de strijd werpen. Zodat de verdediging tegen een invasiemacht van zo'n 155.000 man tussen St.-Lô, Bayeux en Caen aanvankelijk wordt overgelaten aan vier slecht uitgeruste en onderbemande divisies (56.000 man) zonder voldoende luchtsteun.

Hofmann, die met het restant van zijn 21ste divisie tot december '44 almaar moet terugtrekken, heeft wéér eens geluk als hij 5 december bij Dillingen in Saarland een hoofdwond oploopt (granaatsplinters), waardoor hij de dag erna niet meedoet aan gevechten bij Saarlouis waar veel doden vallen. Op de valreep van de oorlog, februari '45, heeft hij “voor het eerst pech”. Hij moet met zijn uitgedunde divisie naar Küstrin in Achter-Pommeren en raakt tenslotte, eind april zuidwestwaarts teruggetrokken via Görlitz, bij Cottbus in Russische krijgsgevangenschap. Daaruit keert hij, na anderhalf jaar in een kamp bij Koersk, begin '47 met honger-oedeem en een dik been terug om aan zijn tweede leven te beginnen. Hij volgt een leraren-opleiding, wordt leraar in Giessen, trouwt in 1960 en gaat in 1987 met pensioen.

Hofmann correspondeert met vroegere tegenstanders uit de invasietijd, onder wie hij zelfs vrienden heeft gemaakt. Sinds '85 gaat hij jaarlijks terug naar Normandië, bezoekt er militaire kerkhoven en reünisten-bijeenkomsten van ex-militairen die, aan de ene of de andere kant, van doen hadden met de operatie Overlord.

Voor Hofmann was D-Day destijds als voorbode van de nederlaag een psychische schok. Voordien had hij, “net als mijn kameraden”, in de eindoverwinning geloofd, desnoods dankzij de nieuwe 'wonderwapens' die uit Berlijn werden aangekondigd. Het idee dat die invasie óók een bevrijding, het einde van de nazistische dictatuur en een democratischer leven inleidde, had hij destijds niet. “U moet begrijpen dat democratie voor ons toen iets buitenlands was, exotisch haast. Dat in een democratie stakingen worden toegestaan, was voor ons bijvoorbeeld onbegrijpelijk.” De naoorlogse partijloze Walter Hofmann heeft “geen belangstelling voor politiek, ik heb nog nooit een politieke bijeenkomst bezocht”. Maar: “Als we de oorlog hadden gewonnen, zou het ons vandaag slechter gaan. Mijn leven is in elk geval veel beter geworden dan ik in '47 had durven dromen.”