Veel strategieën, weinig macht

F. Becker, D.F.J. Bosscher, P. Kalma, P.J. Knegtmans, J. Perry: Honderd jaar sociaal-democratie in Nederland 1894-1994 363 blz., geïll., Bert Bakker 1994, ƒ 49,90

“De laatste politicus die zich in anekdotes laat vertellen.” Zo typeerde VN-hoofdredacteur J. van Tijn wijlen PvdA-leider J.M. den Uyl. Van Tijn sprak op 1 mei vorig jaar ter gelegenheid van de overdracht van het Den Uyl-archief aan het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis. Hij memoreerde onder meer Den Uyls uitspraak in 1973 tegen Van Agt: “Dries, ik heb er zin in”. Waarop Van Agt antwoordde: “Daar was ik al bang voor.” Eerste-Kamer-voorzitter Tjeenk Willink herinnerde zich dat “de agnost” Den Uyl eens misprijzend reageerde toen Tjeenk Willink in zijn bijzijn een verwensing richting het Hogere uitsprak. “Toen zei zijn vrouw tegen mij: 'Joop gelooft weliswaar niet meer in God, maar hij denkt dat God nog wel in hem gelooft'.”

Wat opvalt na lezing van de gedegen overzichtsstudie Honderd jaar sociaal-democratie in Nederland 1894-1994 die onlangs is verschenen, is dat leidende figuren uit 'de beweging' nauwelijks tot leven worden gewekt en dat anekdotes vrijwel ontbreken.

Gedegen, dat is deze studie in de eerste plaats. Het boek vormt een welkome aanvulling op de vele deelstudies die in het verleden zijn verschenen over de geschiedenis van de SDAP en de PvdA. Het is dan ook een must voor hedendaagse en toekomstige generaties studenten geschiedenis, waarbij wel moet worden aangetekend dat dit werk andere boeken bepaald niet overbodig maakt. Alleen al niet omdat de auteurs veel voorkennis veronderstellen. Rijen namen passeren in dit boek de revue: Ceton, Vliegen, Schaper, Van Ravesteyn, Troelstra natuurlijk, Wibaut, Bonger, De Kadt: stuk voor stuk deden zij in een bepaalde periode van SDAP en PvdA meer dan gemiddeld van zich spreken. Zij worden ten tonele gevoerd alsof zij oude bekenden zijn: voor een zekere generatie is dat ook zo, maar jonge lezers zullen denken: Van Ravesteyn?

Hij vormde samen met Wijnkoop en Ceton de redactie van het weekblad De Tribune waarvan het eerste nummer op 19 oktober 1907 verscheen. De Tribunisten namen stelling tegen het volgens hen oprukkende revisionisme binnen de SDAP. Zij waren voorstander van een 'waarlijk revolutionaire politiek', die het beste gestalte kon krijgen wanneer er een ander partijbestuur kwam, wanneer de redactie van Het Volk drastisch zou worden gereorganiseerd, maar vooral moest Troelstra weg. Zoals hij het 'zuivere marxisme' verried in zijn toespraken in de Tweede Kamer was de Tribunisten een doorn in het oog, schrijft historicus J. Perry in zijn bijdrage over de jaren 1894-1914. De eenheid binnen de partij leed in 1909 schipbreuk toen op het Deventer congres de Tribunisten werden geroyeerd.

Groot en talrijk

Marxisme versus revisionisme, de verhouding tot de burgerlijke partijen, wel of niet meeregeren: onderwerpen van steeds terugkerende discussie binnen de jonge SDAP die door Perry helder worden beschreven. De vraag of de partij wel of niet moest mee-regeren werd in 1913 actueel toen na de verkiezingen formateur Bos de opdracht kreeg een kabinet te vormen bestaande uit de 'geheele linkerzijde': vrijzinnigen en socialisten. Perry schrijft: “Het lijkt achteraf misschien raar, maar toch was niemand in de SDAP hier op voorbereid.” Zo raar was dat niet aangezien, zoals Perry terecht opmerkt, vrijwel alle activiteiten van de SDAP erop waren gericht “om groot en talrijk en sterk te worden”. Regeringsdeelname werd afgewezen: samenwerking met de vrijzinnigen zou het revolutinaire elan van de partij niet ten goede komen. Het zou tot 1939 duren voordat de SDAP toetrad tot het kabinet - op lokaal niveau had de partij intussen haar sporen verdiend met wethouders als Wibaut, De Miranda en Drees.

Het jaar 1919 vormde het voorlopig hoogtepunt in het hervormingsstreven van de SDAP: het algemeen mannen- en vrouwenkiesrecht was een feit èn er kwam een acht-urige werkdag. Er restte nòg een ideaal: socialisatie. Als daarvan sprake zou zijn, zou de overgang van het kapitalisme naar het socialisme pas goed in gang worden gezet. Alle discussies en rapporten ten spijt is dat ideaal nimmer bereikt.

In zijn bijdrage over de periode 1919-1946 schetst P.J. Knegtmans een mooi en soms meeslepend beeld van de manier waarop de SDAP zich in deze jaren over een aantal vraagstukken boog. Wel of niet ontwapenen bijvoorbeeld. In de jaren twintig stond de SDAP nog op het standpunt dat ontwapend moest worden. Onder andere het aan de macht komen van Hitler in 1933 gaf tegenstanders van ontwapening extra argumenten in handen. Tijdens het SDAP-congres in 1934 vlogen voor- en tegenstanders elkaar in de haren. Banning verdedigde passieve weerstand: “Dan kunnen wij ondergaan.” Waarop Vliegen hem onderbrak met de uitroep: “Dan zùllen wij ondergaan.” Drie jaar later, in 1937, liet het congres de ontwapeningseis vallen. De economische crisis, de verhouding van de SDAP tot de monarchie, de ontwikkeling van klassepartij naar volkspartij: de manier waarop Knegtmans deze onderwerpen behandelt geven je soms het gevoel dat het bijna jammer is de discussies hierover niet van nabij te hebben meegemaakt.

Het tegengestelde gevoel bekruipt je bij het gedeelte waarin D. Bosscher de ontwikkeling van Nieuw Links in de PvdA beschrijft. Een parade van hemelbestormers nam in de tweede helft van de jaren zestig de PvdA over om zich vervolgens in weinig opzichten te onderscheiden van hun weggestemde voorgangers. Latere critici van Nieuw Links zullen zich herkennen in het beeld dat hij van deze groep oppositionelen schetst. “Wat Nieuw Links wilde was richtsnoer, zo niet wet.” Beviel je die wet niet, dan werd je uitgestoten, zoals Hans van den Doel al snel moest ervaren. Intern was er wel kritiek. Den Uyl heeft zich altijd gestoord aan de a-historische opstelling van Nieuw Links, wijlen Kamervoorzitter Vondeling veegde in zijn boek Nasmaak en Voorsproef de vloer aan met 'Tien over Rood' dat volgens hem inhoudelijk weinig voorstelde. “Het Nederlandse Nieuw Links is nooit erg duidelijk geweest over zijn inspiratiebronnen”, schrijft Bosscher. Dat is een understatement.

Bestaansrecht

In zijn bijdrage over de periode 1970-1994 geeft de politicoloog F. Becker enige voorbeelden van wijsheid achteraf. Zo noemt hij het kabinet-Den Uyl (1973-1977) “ongegeneerd pretentieus in zijn doelstellingen”. Die constatering is juist, en daar kan meteen aan worden toegevoegd dat partijgenoten die een wat realistischer koers voorstonden niet gehoord werden of met minachting werden behandeld. Van wijsheid achteraf getuigden ook de interviews met PvdA-bewindslieden na de val van het kabinet-Den Uyl. Nogal wat van hen zag in dat het zogenaamd ononderhandelbare Keerpunt '72 eerder een blok aan het been was dan richtsnoer voor verstandig beleid. Ook zag men in dat de formatie-Burger een zware hypotheek had gelegd op de relatie tussen de PvdA en de confessionelen.

Het strategie-denken zoals dat in de PvdA in de jaren zeventig en tachtig opgeld deed, bleek achteraf gezien ook al weinig vruchten af te werpen. Er was de 'hobbel-stategie', de meerderheidsstrategie dook op en onder het voorzitterschap van M. van den Berg deed een nieuwe strategie haar intrede: de strijd- en standpuntenstrategie. Die was erop gericht “politiek meer resultaat te behalen dan gezien de minderheidspositie in een politiek meerstromenland mogelijk was.” Becker schrijft: “Een dergelijke strategie kon alleen duurzaam succes hebben in geval van staatkundige hervormingen waarbij de politieke machtsvorming het beginsel van representativiteit verving (...) of wanneer met inachtneming van het bestaande kiesstelsel een progressieve meerderheid tot stand kwam. Waar aan geen van beide voorwaarden voldaan werd, moest de opstelling van de PvdA wel tot politiek isolement of tot ongeloofwaardigheid leiden.” Dat zal de lezer beamen, maar diezelfde lezer zou ook graag willen weten hoe het in vredesnaam mogelijk is geweest dat binnen de PvdA zolang een klimaat heeft bestaan waar bedenkers van dit soort onzin-strategieën konden gedijen.

In zijn slotbeschouwing vraagt de directeur van de Wiardi Beckman Stichting, P. Kalma, zich af of een afzonderlijke sociaal-democratische partij nog wel bestaansrecht heeft of dat zij zou moeten streven maar nauwe samenwerking met D66 en GroenLinks. De PvdA zal nooit op eigen kracht een sleutelpositie verwerven in de Nederlandse politiek, aldus Kalma, die ook inhoudelijke argumenten noemt voor toenadering tussen de drie partijen. Volgens hem is de “problematiek van de industriële maatschappij zeker geen zaak van de sociaal-democratie alleen en beide andere progressieve partijen (leveren) onmisbare aanvullingen op het sociaal-democratisch denken en handelen.” De tijd zal het leren.