Suïcide (1)

Het ter discussie stellen van andermans standpunten is geoorloofd. De heer Koerselman (Z 21 mei) is er niet voor om mensen te helpen die suïcide willen plegen - het zij zo.

Hij heeft het boek gelezen dat de heer Chabot over een behandelingservaring heeft geschreven en concludeert daaruit dan dat de patiënt behandelbaar was geweest en dat de diagnostische overwegingen hoogst onwaarschijnlijk waren. De patiënt wilde echter niet behandeld worden en de heer Koerselman vindt dat je dan niet op de wens tot hulp bij levensbeëindiging moet ingaan; hij vindt dat je zoiets niet aan een arts mag vragen. Hij vindt het niet ethisch ongepast - hij vindt het gewoon 'over-vragen'.

Euthanasie mag, volgens hem, wèl maar alleen onder zeer bepaalde omstandigheden en eigenlijk moet bij hem de dood dan als het ware al voor de deur staan. Balans-suïcide bestaat volgens hem niet - er spelen altijd 'andere' factoren mee (voorbeelden daarvan worden niet gegeven).

Het is hier dat de heer Koerselman door de mand valt.

Hij wil als psychiater vanuit zijn functie en deskundigheid beoordelen of de argumenten die de patiënt bewegen om levensbeëindiging te vragen wel goed genoeg zijn - prima; hij wil niet meehelpen aan levensbeëindiging (hij is geen doodspillenautomaat) - prima; maar hij wil de patiënt die hij niet helpen wil bij vervullling van zijn laatste wens ook niet loslaten d.w.z. 'verwijzen' naar een ander en dat is een soort patiënten-'bezit' dat tegen alle regels van patiëntenrecht indruist.

In zijn beoordeling van het geval Chabot spreekt hij van tolerant beleid en van het verschuiven van grenzen. Hij houdt geen enkele rekening met het uiterst correcte en diepgaande onderzoek door een aantal specialisten naar de weloverwogenheid van het verzoek tot levensbeëindiging van de patiënt alvorens een beslissing te nemen.

Bij het beluisteren van de argumentatie van de heer Koerselman ontstaat steeds sterker de indruk dat hij vindt dat een arts/specialist er is om te behandelen (zo mogelijk te genezen) maar zich liefst moet onttrekken aan vervulling van wensen tot levensbeëindiging tenzij de dood voor de deur staat.

Ik ben het graag met de heer Koerselman eens dat een mens in principe zo lang mogelijk wil doorleven. Uitgaande van die gedachte is het echter duidelijk dat verzoeken om levensbeëindiging niet 'zo maar' tot stand komen.

Dikwijls zal aan zulke verzoeken de fysieke toestand van de patiënt debet zijn maar evengoed kan dat de psychische toestand zijn en de arts is - zeker bij psychisch lijden - maar hoogstzelden in staat verbetering (laat staan genezing) te garanderen. Dat wordt hem ook niet gevraagd. Wanneer hem om hulp gevraagd wordt bij levensbeëindiging is dat omdat hij in feite de enige is die daarvoor de middelen in huis heeft. De opmerking van de heer Koerselman dat dodelijke pillen zo bij de drogist te halen zijn is onjuist als het om de patiënt gaat - hij weet heel goed dat alleen de dokter die pillen kan krijgen!

Natuurlijk kun je je op allerlei manieren (proberen te) suïcideren maar juist de heer Koerselman weet maar al te goed hoe vaak dit mislukt.

Uit het hele interview blijkt dat de heer Koerselman niet (of vrijwel nooit) bereid is zijn patiënten tot in de dood te begeleiden. Dat is zijn goede recht. Maar hij moet zich dan ook beperken tot zijn specialisme en alleen mensen behandelen die hij denkt te kunnen genezen en die daarvoor zijn hulp inroepen. Willen patiënten niet langer door hem behandeld worden dan moet hij ze verwijzen naar andere artsen, zelfs als hij weet dat die misschien wèl bereid zijn hun nek uit te steken om een in hun ogen weloverwogen wens tot hulp bij levensbeëindiging te vervullen.