PROLOOG

Ik wil een verhaal schrijven, een lang verhaal in drie afleveringen, over een hindoestaanse vrouw van vierenvijftig jaar die van het Surinaamse platteland via Paramaribo in Den Haag terecht komt, maar ik weet niet of ik het kan. Het is maar een simpele vrouw met eenvoudige gedachten, en zijn die interessant? Roland Barthes schreef een keer dat de taal van arme mensen de eentonige maat van hun berooidheid aangeeft: ze hebben geen woorden, alleen maar daden. Ik vond het, toen ik dit voor het eerst las, brutaal en arrogant, maar ik begin langzaam te begrijpen wat hij bedoelde: mensen die geen woorden hebben kunnen niet denken, want woordeloze gedachten kun je niet ordenen.

Ik zou dus wel over die vrouw kunnen schrijven, ik zou haar kunnen beschrijven, keurig lineair van daad tot daad, maar ik zou haar overwegingen niet kunnen ontleden, ik zou haar belevingswereld, haar innerlijke ruimte niet kunnen betreden. Die zou rommelig en onbegaanbaar zijn. Als je geen woorden hebt, kun je wel mijmeren of piekeren, maar niet nadenken. Je kunt je motieven niet klassificeren, je kunt je argumenten niet wegen, je kunt je voornemens niet beredeneren. Achter de daad gaat alleen een ingeving schuil, een vage opwelling.

Dat is geen domheid, maar een vorm van blindheid. De gedachten zijn er, maar je kunt ze niet zien, je kunt ze niet benoemen en ze daarom niet gebruiken. Mensen die helemaal niet over woorden beschikken zijn net primaire organismen die op prikkels reageren volgens regels die ze niet zelf in de hand hebben. Je ziet het aan hun ogen. De vluchtelingen in de buurlanden van Rwanda, ze zitten daar maar, ze lijden een immens verdriet, maar zouden ze het zo noemen: verdriet? Honger, zouden ze zeggen, misschien zelfs woede of pijn, wat al een verdere vorm van verwerking is, maar zouden ze ook zeggen: droefenis, weemoed, onmacht, verraad?

Maar dat is een extreem voorbeeld. Neem de mensen hier, in de trein, in de tram, ze lezen kranten en ze zijn dus niet volkomen woordeloos, toch hebben ze soms een blik als van de wassenbeelden in Madame Tussaud. Wat gaat in hen om, welke denkbeelden hebben ze en wat doen ze daarmee?

Terwijl ik dit schrijf voel ik een diepe verontwaardiging in me opkomen: waar haal ik het lef vandaan deze mensen te reduceren tot gedachteloze schepsels die impulsief omgaan met de wereld? Maar ik bedoel het juist niet hooghartig, ik wil een woordeloze toestand begrijpen, wat niet makkelijk is. Ik vind mensen die weinig woorden hebben helemaal niet zielig of ondeugdelijk of ongelukkig. Ze zijn gewoon anders. Ze hebben een andere logica, ze hebben een eigen manier om ervaringen op te doen en herinneringen te bewaren, ze beschikken over een vorm van bewustzijn, ze hebben verlangens en verwachtingen, ze hebben bedoelingen en inzichten, maar welke precies? Dat is ook voor hen zelf niet achterhaalbaar, denk ik, want de taal daarvoor hebben ze niet.

Het gaat trouwens niet alleen om de taal, maar ook om de manier waarop die wordt gebruikt. Naipaul had het hierover toen hij voor het eerst in India kwam: deze mensen hebben niet de gewoonte om er gedachten op na te houden die ze op een rijtje kunnen zetten en waar ze conclusies uit kunnen trekken, zei hij bitter.

Het zal wel iets Westers zijn, het dwangmatig ordenen van de innerlijke wereld, het vormen van een geweten, van een identiteit. Het uitgangspunt 'ik denk dus ik ben' van Descartes heeft geleid tot het allergrootste verschil tussen het Westen en de rest van de wereld. Hier is men de mens voor het eerst gaan zien als een zelfstandig wezen dat los van een grootheid buiten hemzelf mocht twijfelen en onderzoeken, veronderstellen en toetsen. In andere culturen schijnt deze ontwikkeling minder dramatisch en verstrekkend te zijn geweest; er waren wel enkele Grote Denkers, maar niet een heleboel kleine. De gewone mensen werden niet geacht na te denken, ze moesten regeltjes opvolgen die anderen bedachten.

Het formuleren van veronderstellingen en hypothesen, kun je zeggen, is de hoogste vorm van verwerking van prikkels en gegevens. Het is een poging om vooruit te denken, te anticiperen en te voorspellen. Dat gaat, weten we uit de praktijk, bijna altijd mis, maar het telkens weer willen wagen van de poging is belangrijk. Het is ook de enige methode om een blackbox-situatie als die van de hindoestaanse vrouw van vierenvijftig jaar te ontrafelen. Door op haar daden te letten kun je naar haar geheime strevingen gissen. Dat is wat schrijvers eigenlijk altijd doen. Maar de moeilijkheid is dat het gissen blijft. Schrijvers kunnen proberen in de huid van hun personages te kruipen, ze kunnen door hun ogen naar de wereld kijken en hun voorstellingswereld verzinnen, maar het blijft een verzinsel, een onbewijsbaar vermoeden.

Vooral bij ongeletterde mensen is het riskant om woorden toe te voegen aan daden, woorden die ze in het geheel niet hoeven te kennen. Een manier om daaraan te ontkomen is het gebruiken van weinig woorden en korte zinnen. Een andere manier is het aantal daden en gebeurtenissen te vergroten.

Ik ken maar een verhaal waarin een ongeletterde persoon wordt opgevoerd die helemaal geen daden stelt: 'Het uur van de ster' van de Braziliaanse schrijfster Clarice Lispector. De ster in het verhaal is een meisje, Macabea, “dat niet wist dat ze was wat ze was, evenmin als een hond weet dat hij een hond is.” Slechts eenmaal stelde ze zichzelf de tragische vraag 'wie ben ik', en ze schrok daar zo van dat ze totaal stopte met denken. Ze hield het erop dat ze typiste was, en maagd, en dat ze van Coca Cola hield.

Op aangrijpende wijze duwt Lispector dit wezenloze kind voort, in een wereld die zo eentonig is dat ze zich 's avonds niet meer herinnert wat er 's morgens is gebeurd. Op haar helderste moment denkt ze: “nu ik er toch ben, moet ik op de een of andere manier zijn.” Verder bekommert ze zich niet om zichzelf, want dat kan ze niet. Op het laatst moet Macabea wel dood gaan, anders zou de schrijfster helemaal geen verhaal hebben. Maar ook dat is geen daad, als bij Emma Bovary, maar iets wat haar overkomt. Ze wordt aangereden door een Mercedes Benz.

Het is jammer dat ik geen Clarice Lispector ben en ik moet daarom voor mijn hindoestaanse vrouw van vierenvijftig jaar de makkelijke oplossing kiezen: ik laat haar veel daden begaan. Ik zal haar bijvoorbeeld drie keer van omgeving laten veranderen, waar één keer al ingewikkeld genoeg zou zijn. Het verhaal zal, geloof ik, beginnen in Rotterdam, met een draak van een zin die nog goedkoop rijmt ook: “Om vier uur 's nachts staat een hindoestaanse vrouw van vierenvijftig jaar uit te kijken naar de maan, maar de hemel is zwaar bewolkt en ze hoort daar helemaal niet te staan.”

Hierop zou een huilerige smartlap kunnen volgen, wat wel bij mij en de vrouw in kwestie zou passen, maar in een krant als deze misschien minder goed zou overkomen. Ik weet daarom al hoe de geschiedenis zal aflopen, over vier weken (en dan zijn we ook tegen het eind van het seizoen voor deze wekelijkse schrijfsels gekomen): er zal niets gebeuren.

Van toen af verliep de procedure wel naar de wens van Van Opstal. De andere betrokkenen moesten lijdzaam toezien hoe de verhoudingen aan het seminarie werden ontleed. Het aantal studenten riep drastisch terug. Op 5 maart vorig jaar kreeg Van Opstal een officieel schrijven van de Heilige Stoel: aan zijn verzoek om dispensatie had de paus na kennisneming van het onderzoeksrapport voldaan. Gijsen was vijf weken daarvoor afgetreden en naar een nonnenklooster in Oostenrijk vertrokken.