Paffen

Jordan Goodman: Tobacco in History, the cultures of dependence

280 blz., Routledge 1993, ƒ 129,20

De lezer die aan de tabaksgeschiedenis van Jordan Goodman begint in de illusie dat dit een weinig behandeld onderwerp is, zal zich onnozel voelen bij het zien van de bibliografie: 27 pagina's, meer dan 600 titels. Niet al die titels zijn van boeken: er staan veel artikelen tussen, en vaak gaan zij niet alleen over tabak, maar na aftrek van het bijkomstige blijft de literatuur overstelpend. In 1571 is het begonnen met Nicolas Monardes van Sevilla, een arts die de geneeskrachtige kruiden van de nieuwe wereld inclusief tabak behandelde. In onze tijd loopt het uit op het werk van J.M. Price: vijftien titels. Intussen hebben ook Nederlanders bijgedragen: de Leidse medicus R. de Graaf al in 1668, in 1964 G.A. Brongers met een boek voor Niemeyer, en H.K. Roessingh twee maal in de jaren zeventig.

Goodman, van de Universiteit van Manchester, heeft van al die informatie voornamelijk de cijfers benut. Er gaat geen pagina voorbij zonder getallen, van werkgelegenheid en produktie, uitvoer en doorvoer, consumptie en prijzen. Het ziet er des te cijfermatiger uit doordat de auteur zijn talrijke verwijzingen in de tekst heeft opgenomen tussen haakjes: auteur, jaar van publikatie, paginanummers.

Wie een hoeksteen zoekt voor een tabaksbibliotheek moet zich dit werk niet laten ontgaan. Het biedt gegevens over de vroegste export uit Zuid-Amerika naar Europa, over het belang van de tabaksbouw vroeger op het westelijk halfrond en tegenwoordig vooral in het oosten, over de tabakshandel van de afgelopen eeuwen en de multinationals van nu, over de verschillende vormen waarin tabak gebruikt is en over de voortgaande massale consumptie ervan in Azië en Afrika, terwijl wij in het Westen het proberen af te leren. In de Verenigde Staten werden in 1870 zo'n 16 miljoen sigaretten geproduceerd, in 1895 ongeveer 4200 miljoen. Dat zijn nog eens cijfers!

Niet tot Goodmans opzet behoort het prikkelen van de historische verbeelding. Lezers die in gedachten de geuren van vierhonderd jaar tabakscultuur willen opsnuiven krijgen van hem geen hulp. Het woord dependence in de ondertitel doet meer verwachten: al zou een grondige studie van troost en verslaving te veel gevergd zijn, de psychologie van de roker had in het kader terecht gekund. De enige afhankelijkheid waar hij op ingaat is die van de kleine tabaksboeren van hun afzetmarkten, en dat alleen in cijfers.

Dit is dus een leerzaam maar droog boek. De auteur heeft niet verstandig gedaan met ieder van de vijf delen te laten voorafgaan door uitspraken van verschillende tabakskenners en één keizer die vlotter met woorden omgingen. De keizer is Napoleon III die zei: “Deze ondeugd brengt honderd miljoen francs per jaar op, en ik zal hem zeker terstond verbieden zodra iemand mij een deugd noemt die evenveel opbrengt.” Zulke aardigheden brengen de lezer in een verkeerde stemming voor het waarderen van Goodmans zakelijkheid. “Whither tobacco?” schrijft hij in onhandige retoriek boven zijn laatste hoofdstuk: Waarheen tabak? - alsof die vraag voor zijn Westerse lezer nog beantwoord hoeft te worden. Niet de schamele toekomst maar het rijke verleden van de tabak, daar gaat het om.

De VIe Section, zoals ze kortweg genoemd werd, groeide uit tot Frankrijks belangrijkste centrum van onderwijs en onderzoek in de sociale wetenschappen. Dat gebeurde onder Febvres opvolger Fernand Braudel. Braudel had Bloch zelf nooit gekend, maar hij hield zijn nagedachtenis in hoge ere. Er kwam een Marc Bloch Lezing en een Marc Bloch Stichting en zo nog meer. Blochs nagelaten werk werd posthuum uitgegeven, ander werk van hem geregeld herdrukt. De beginjaren van de Annales werden door Braudel altijd met eerbied herdacht. De grote tijd van de Annales, zo placht hij te zeggen, waren de eerste tien jaren, van 1929 tot 1939, toen alles nog nieuw was en vernieuwend, de jaren van Bloch en Febvre samen dus. Misschien had hij daarin gelijk.