Overlegtijgers strijden over hervorming sociale zekerheid

DEN HAAG, 4 JUNI. Het is wrang voor het CDA. Maar nu de christen-democraten mogelijk in de oppositie komen, staat het onderwerp waar die partij zich al jarenlang druk over maakt - de verdeling van verantwoordelijkheden - bovenaan de politieke agenda.

Het speelt in de sociale zekerheid, de zorg, het onderwijs, bij ethische kwesties als abortus en euthanasie en het asielbeleid. Tot waar mag de staat haar tentakels uitspreiden en waar begint het private domein? Dat is de vraag die in diverse varianten steeds weer speelt.

Neem de sociale zekerheid. Niet het kleinste dossier. Er ging vorig jaar meer dan 150 miljard gulden in om. En dat wordt ieder jaar meer. Maar liefst 2,6 miljoen Nederlanders onder de 65 jaar hebben een werkloosheids-, bijstands-, arbeidsongeschiktheids-, ziekte-, VUT- of AWW-uitkering en ook nog eens 2,1 miljoen Nederlanders genieten van hun AOW. Dat zijn bij elkaar 4,7 miljoen uitkeringsgerechtigden, waar tegenover 5,7 miljoen werkenden staan, die zich steeds harder moeten uitsloven teneinde niet ook aan de kant te worden gezet.

In mei luidde de Centrale Economische Commissie (CEC), een adviescollege van topambtenaren, de noodklok. “In de kern”, aldus de ambtenaren van diverse departementen, het Centraal Planbureau en De Nederlandsche Bank, “gaat het om het ontbreken van voldoende (financiële) stimulansen bij uitkeringsontvangers, werkgevers en werknemers, en uitvoeringsorganisaties (waaronder gemeenten) om het beroep op de sociale zekerheid zo beperkt mogelijk te houden. (...) Een betere incentive-structuur vergt een nieuwe verantwoordelijkheidsverdeling tussen het publieke en het private domein.”

Sindsdien regent het rapporten, nota's en notities die allemaal over dit onderwerp gaan. In de Sociaal-Economische Raad (SER) buigen de sociale partners en vijftien Kroonleden zich over de problematiek van de uitvoering van werknemersverzekeringen (ziektewet ZW, werkloosheidswet WW en arbeidsongeschiktheid WAO). De Kroonleden G. Zalm (tevens directeur van het Centraal Planbureau) en D. Wolfson roeren zich het meest. Zij stellen onder meer voor de WAO-premie voor rekening van de werkgevers te laten komen en afhankelijk te maken van de mate van arbeidsongeschiktheid in de betreffende bedrijfstak (differentiatie van premies). Zo ontstaat voor werkgevers een financiële prikkel (incentive) om minder werknemers in de WAO te laten vloeien.

Ook willen de Kroonleden het monopolie van de bedrijfsverenigingen doorbreken, door bedrijven in de gelegenheid te stellen hun ziekte-, arbeidsongeschiktheids- of werkloosheidsrisico's elders te verzekeren. Zo worden bedrijfsverenigingen gedwongen hun kosten te matigen. Anders gaan ze in de concurrentiestrijd tegen efficiënter werkende uitvoeringsorganen ten onder. Deze voorstellen bedreigen de status quo die werkgevers- en werknemersvertegenwoordigers al decennialang koesteren.

Met name de grootste vakcentrale, de FNV, ziet niets in concurrentie tussen bedrijfsverenigingen. Het risico bestaat dan namelijk dat de bedrijven met weinig zieken en arbeidsongeschikten overstappen naar een uitvoeringsorgaan dat lagere premies in rekening brengt. Of nog erger: naar particuliere verzekeraars. De oude bedrijfsvereniging achter latend met relatief dure risico's die de premies opdrijven.

Het Christelijk Nationaal Vakverbond (CNV) is daar niet bang voor. Deze organisatie pleit juist voor overdracht van de werknemersverzekeringen (ZW, WAO, WW) aan de sociale partners. De twee grootste bonden van de FNV, de Industriebond FNV en de AbvaKabo voelen daar ook voor. Wanneer de sociale partners bij de onderhandelingen over arbeidsvoorwaarden ook afspraken maken over aanvullende collectieve verzekeringen geeft dat allerlei nieuwe mogelijkheden voor belangenbehartiging. In België en Scandinavië is dat de normaalste zaak van de wereld.

Deze trend naar een groter particulier deel in de sociale zekerheid is onmiskenbaar. In Nederland is de sociale zekerheid nog voornamelijk publiekrechtelijk geregeld. Maar de afbrokkeling is in volle gang. De Ziektewet is gedeeltelijk geprivatiseerd. De eerste zes weken (twee weken voor kleine bedrijven) ziekte van werknemers komt voor rekening van de werkgever. En het is de tendens om dat te verlengen naar een jaar.

Het is waarschijnlijk dat een paarse coalitie de bestaande Ziektewet (die verplicht tot een uitkering van 70 procent) helemaal afschaft. In plaats daarvan willen zij de werkgever via het burgelijk wetboek verplichten gedurende een jaar 70 procent van het loon door te betalen, eventueel via afspraken per bedrijf of sector aan te vullen.

Verschillende politieke partijen hebben dat in hun verkiezingsprogramma staan en ook de Industriebond FNV is ervoor.

Pag.18: Vrije markt rukt op bij uitvoering van sociale stelsel

Bij de WAO zijn op grote schaal aanvullende verzekeringen afgesloten. En bij de WW zal hetzelfde gebeuren zodra politici onder druk van de oplopende werkloosheidscijfers besluiten de uitkeringshoogte te verlagen of de uitkeringsduur te verkorten. De trend om het particuliere deel van de sociale zekerheid op te rekken ten koste van het publieke deel zal doorgaan, onafhankelijk van de samenstelling van het volgende kabinet.

De bij de formatie betrokken politici hebben zich nog niet met dit soort ingewikkelde beschouwingen ingelaten. Zij hebben zich afgelopen week beperkt tot de uitvoering van de sociale verzekeringen. De fractiespecialisten Linschoten (VVD), Schimmel (D66) een Buurmeijer (PvdA) kwamen overeen dat de verantwoordelijkheid voor de uitvoering in handen moet komen van regionale besturen. Daarin zijn werkgevers, werknemers en gemeenten vertegenwoordigd. De feitelijke uitkeringsverzorging moet echter worden uitbesteed aan administratiekantoren.

De paarse sociale zekerheidsdeskundigen hebben de nieuwe structuur nogal gedetailleerd uitgewerkt. Vernieuwend is het allemaal niet. De voorgestelde structuur is volledig in lijn met Kameruitspraken naar aanleiding van de parlementaire enquête sociale verzekeringen door de commissie-Buurmeijer en een adviesaanvrage die staatssecretaris Wallage op 23 maart 1994 aan de SER heeft gericht.

“De raad komt per saldo tot een negatieve beoordeling van het kabinetsvoornemen tot introductie van regionale bestuursorganen voor de uitvoering van de werknemersverzekeringen”, staat in het ontwerp-advies regionalisering uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen. Het is de bedoeling van de SER om dit ontwerp-advies op 17 juni vast te stellen. De SER is unaniem op dit punt en gaat dus lijnrecht in tegen de plannen van het huidige kabinet en het paarse formatieteam.

Het conflict zal niet hoog worden opgespeeld. De Kroonleden in de SER vinden de vraag wie de uitvoering voor haar rekening neemt van ondergeschikt belang. Hen (en ook de werkgevers) gaat het vooral om het introduceren van meer marktwerking en concurrentie in het systeem van sociale verzekeringen. “Voor mijn part zitten er apen in de uitvoeringsorganen”, zei Zalm schertsend tijdens een van de commissievergaderingen. “Als ze maar op de goede manier met financiële prikkels worden aangestuurd.”

Vakbeweging en werkgeversorganisaties hechten meer belang aan een sectorale aansturing (dus per bedrijfstak) van de sociale verzekeringen, omdat daarin voor een belangrijk deel hun machtspositie schuilt. Werkgevers en werknemersvertegenwoordigers besturen samen de negentien bedrijfsverenigingen en oefenen op die manier grote invloed uit. Die invloed wordt minder als de verantwoordelijkheid voor de uitvoering wordt overgedragen aan 28 regionale besturen.

Voor Kroonleden noch sociale partners is het een uitgemaakte zaak dat de beoogde regionale besturen zoveel beter werken dan de sectorale aansturing via bedrijfsverenigingen. De ervaringen met de 28 regionale besturen arbeidsvoorziening (RBA) zijn niet onverdeeld gunstig. Volgend jaar vindt een evaluatie plaats van deze RBA-structuur. De SER vindt het logisch om daarop te wachten. Bij ondoordachte invoering van de regionale structuur in de sociale zekerheid bestaat het gevaar dat de ene bureaucratie (van de bedrijfsverenigingen) vervangen wordt door de andere (van de regionale besturen), zonder dat er wezenlijk iets verbetert. Daarom kiest de SER ervoor om de bestaande aansturing intact te laten, maar alvast meer marktelementen in het systeem in te bouwen.

VVD-onderhandelaar R. Linschoten vindt dat de SER een achterhoedegevecht levert. De overlegtijgers op hun beurt verwijten Linschoten en de andere onderhandelaars niet goed na te denken. Voor dat laatste krijgen de onderhandelaars nog alle kans. Na de CEC en de SER komt volgende week dinsdag de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid met een rapport, getiteld 'Belang en beleid. Naar een verantwoorde uitvoering van de werknemersverzekeringen'.

Voorzitter van de projectgroep die het rapport samenstelde is prof. dr. D. J. Wolfson. Dezelfde Wolfson die in de SER de trom roert. Bij het opstellen van het rapport zijn tal van externe deskundigen geraadpleegd, onder wie prof. drs. G. Zalm. Dezelfde Zalm van de SER, die ook intensief heeft meegewerkt aan de nota ten behoeve van de kabinetsformatie van de CEC. Het is de vraag of de formerende politici zich er iets aan gelegen zullen laten liggen, maar de adviserende (deeltijd-)hoogleraren hebben zichzelf overduidelijk een doel gesteld: nu eindelijk eens verandering te brengen in het almaar oplopende aantal inactieven door het systeem van sociale zekerheid fundamenteel te veranderen.