Moraal aan flarden

De Franse revolutionairen hadden vrijheid, gelijkheid en broederschap op het oog. De eerste twee zijn voor zover het de moderne westerse wereld betreft langzamerhand aardig gelukt. De broederschap daarentegen, gaat geleidelijk achteruit, terwijl die toch zo nodig is om te verhoeden dat de andere twee worden misbruikt. Geen vrijheid om het leven van anderen te bederven. Geen gelijkheid die de mogelijkheden om anders te zijn dan de middenmoot beknot. Dit is een zeer vrije weergave van een gedachtengang van de Mexicaanse dichter, essayist en Nobelprijswinnaar Octavio Paz, zoals hij wordt geciteerd door de Amerikaanse ethicus Rasmussen.

In plaats van 'broederschap' kan men ook het wat modernere begrip 'gemeenschap' gebruiken - beide zijn gebaseerd op solidariteit. Rasmussen schreef er een boek over, over de groepsvorming die de brug vormt tussen individuele mensen en de overkoepelende staat - communities.

Eens was de gemeenschap de enige samenlevingsvorm waarmee men in het dagelijks leven te maken had, gebaseerd op territorium en verwantschap. De regels van rechten en plichten lagen muurvast, want waren van God gegeven, voor heren zowel als knechten. De Verlichting was de bevrijding daaruit. Het bracht het idee van een door mensenhanden gemaakte samenleving, gedragen door kennis en techniek. Het protestantisme had godsdienst al tot een privé-aangelegenheid gemaakt. De betekenis van communities werd anders. Men hoorde ertoe vanwege standpunt, geloof of belang. De binnen zulke gemeenschappen heersende opvattingen werden van generatie op generatie overgedragen en vormden de morele ruggegraat van de democratische staat waarin vrijheid en gelijkheid heersten.

In Nederland hadden die gemeenschappen lange tijd de vorm van zuilen, de kringen waarvan de levensovertuiging in hoge mate het doen en laten van de leden doortrok. Liberaal, katholiek, humanistisch, protestants, sociaal-democratisch. Elke zuil had zijn eigen netwerk van verbanden, waarin dezelfde geest heerste, van school tot zangkoor, van politieke partij tot jeugdbeweging, van omroepvereniging tot gehandicaptenzorg. Het was vanzelfsprekend dat men zich binnen de eigen kring inzette voor wat er uit solidariteit gedaan moest worden, hetzij met vreugde, hetzij met tegenzin. En de overheid werd bij haar beleid gevoed door wat aan normen en waarden door deze kringen werd uitgedragen.

Dit zuilensysteem past niet meer bij de moderne mens die zijn zelfontplooing in eigen hand wil nemen en daarbij de vrije keus wil hebben door welk mengsel van principes hij zich wil laten leiden. Dit op zichzelf zeer achtenswaardig streven brengt de samenleving en de overheid echter in de problemen, want waar halen zij nu de morele overtuigingen vandaan op basis waarvan zij beleid kunnen voeren? Dit wil helemaal niet zeggen dat die moraliteit er niet is, maar hij is moeilijker te lokaliseren, als hij niet zo overzichtelijk gebundeld ligt op het maatschappelijk middenveld.

Rasmussen zet, schrijvend over de situatie in Amerika, uiteen hoe volgens hem de afbrokkeling van de communities heeft geleid tot het primaat van de kapitalistische moraal der vrije-marktmechanismen als houvast bij beleid. Vertaald naar de Nederlandse situatie: het uitdelen en innen van de verkeersboetes gebeurt pas als blijkt dat het voor de schatkist lonend is, omdat de opbrengsten hoger zijn dan de kosten. Als de kosten voor opvang van asielzoekers opeens veel hoger blijken te zijn dan begroot, doet zich de vraag voor of er wellicht iets aan het toelatingsbeleid kan worden veranderd. En de calculerende burger van zijn kant schat de pakkans in en verhoogt zijn bijdrage aan een goed doel, omdat die toch aftrekbaar is.

Natuurlijk zijn er nog steeds normen en waarden waar individuele mensen in geloven, idealen die zij voor ogen houden en solidariteit die zij willen bewijzen, maar de gemeenschappelijke verbanden waarbinnen zij hieraan vorm kunnen geven zijn verminderd, ook hun houvast is weg. De titel van Rasmussens boek geeft dat aardig weer: Moral Fragments, Moral Community. Dat 'fragments' lijkt me het beste te vertalen met 'flarden'. Natuurlijk zijn er nog steeds heel grote flarden van moraal, maar de bindende elementen van de diverse broederschappen zijn weg. Alleen kennen bepaalde professies nog de binnen de beperkt eigen kring geldende beroepscode.

Een wat onverwachte, maar beeldende illustratie van die verandering stond een jaar geleden in de Frankfürter Algemeine Zeitung. Konrad Adam analyseert daarin het verschil tussen indertijd de linksradicalen van de Rote Armee Fraktion en de rechtsextremisten van nu. In beide gevallen was en is sprake van verregaande misdaad. De RAF paste echter nog volstrekt in het traditionele patroon van een door een overtuiging gevoede beweging met een netwerk van met elkaar in verband staande groeperingen, die een door hen als ideaal beschouwd doel nastreefden. “Trotz aller ideologischen Gegensätze hielten sich die Linken Terroristen auf ihre Weise an die Regeln und an die Logik des Systems das sie bekämpften.” En toen de politie eenmaal een puntje van het netwerk te pakken had, herkende men het patroon en kon men zo de beweging natrekken en tot arrestaties overgaan. De rechtsradicalen daarentegen lijken “über nichts zu verfügen was nach Konzept, Gedanke oder taktischem Kalkul aussieht”. Het zijn individuen zonder enige bindingen waar en aan wie dan ook, die elkaar slechts op die ene noemer van geweld weten te vinden, zonder overtuiging als achtergrond en doel als toekomstperspectief.

Rasmussen vindt dat de kerk het aangewezen instituut is om (weer) als moral community te fungeren, een wat eenzijdige oplossing, te meer daar de ontkerkelijking - overigens iets anders dan afname van individueel beleefde godsdienstigheid - in Nederland een feit is. Er is een opbloei over het hele middenveld nodig. En is daar nu juist niet de sociale vernieuwing voor bedoeld? Voor door de overheid gesteunde burgerinitiatieven - niet te verwarren met belangengroeperingen - ter verhoging van de gemeenschapszin?