Mike Tyson en de kus voor Gullit

Het wereldkampioenschap voetbal is eigenlijk niet interessant meer, het enige waar we nog naar kunnen uitkijken, is de week na het wereldkampioenschap. Dan komt eindelijk het verlossende interview met Ruud Gullit, en ik durf nu al te voorspellen wie het zal uitzenden: RTL. Per slot van rekening werken Frits Barend en Henk van Dorp voor RTL. Zij hebben van alle voetbaljournalisten de beste relatie met Ruud Gullit.

Dat leidde afgelopen maandag al tot een interview waarvan ik de climax straks nog een keer hoop terug te zien in een aflevering van VPRO's Zomergasten. (Al vrees ik dat zeker Rudy Kousbroek, straks een van die zomergasten, als notoir sporthater het niet zal uitkiezen.) Ik doel op het ontroerde afscheidskusje dat Frits Barend na een emotioneel gesprek van twintig minuten in de hals van Gullit drukte. Wie zei daar nog dat journalisten over het algemeen zulke gevoelloze, cynische mensen zijn?

Misschien heeft Frits Barend een trend gezet en kunnen we binnenkort tegemoet zien: mevrouw Maij-Weggen en Jan Blokker, verstrengeld op de divan; Ruud Lubbers en Ferry Mingelen in een drieste omhelzing; ex-kardinaal Bär en Ad Langebent op de rand van sodomie.

Intussen blijft het spitsroeden lopen voor voetbalverslaggevers. Die kus voor Gullit moet als een bom zijn ingeslagen bij de verweesd achtergebleven Advocaatjes. Frits Barend zal er nog vaak mee geplaagd worden, maar daar kan hij wel tegen. “Jullie hebben het er nogal moeilijk mee”, hoonde Koeman naar hem toen na het duel tegen Hongarije Gullit ter sprake kwam. “Lucht je hart”, nodigde Barend hem uit.

Ik vroeg me al af of Advocaat de Van Basten-primeur voor straf aan Kees Jansma van de NOS had gegund. Want voetbal is allang geen oorlog meer, het is gewoon handel geworden. De oorlog woedt alleen tussen de stations: NOS versus RTL.

Als Barend en Van Dorp straks het Grote Gullit-interview (zo heet dat tegenwoordig in de journalistiek) maken, dan hoop ik dat ze hem die ene vraag stellen die ik de afgelopen dagen nogal heb gemist. Namelijk: was het niet gewoon de druk waartegen hij niet langer bestand was, het verwachtingspatroon (zo heet dat tegenwoordig in de gewone conversatie) dat hem opgelegd werd? Cruijff heeft daar, volgens mij, ooit een WK-toernooi om afgezegd - waarom zou Gullit wat dat betreft sterker in zijn schoenen staan?

Die vraag komt ook in me op omdat ik afgelopen zaterdag op de BBC - waar anders - een wonderschone documentaire zag over de bokser Mike Tyson: Fallen champ: the untold story of Mike Tyson. Tyson heeft me als bokser nooit erg kunnen bekoren, ik ben nog van de generatie voor wie het zwaargewichtboksen ophoudt bij Mohammed Ali. Dat was ook in de jaren zestig mijn belangrijkste kennismaking met het fenomeen live-televisie: de nachtelijke partijen van Ali tegen tegenstanders wier namen nog altijd op de raarste momenten als Zinloze Feiten in mijn geheugen kunnen bovendrijven: Sonny Liston, Floyd Patterson, Joe Frazier.

Boksen was toen nog gezellig. Pyama, chocolademelk, Koen Verhoeff.

Toen ik later Tyson voor het eerst zag boksen, was mijn eerste associatie: een pitbull. Een wreed, breinloos monster dat louter op destructie was gericht. Nu is dat niet eens zó'n verkeerde associatie geweest. In de BBC-documentaire horen we Tyson na de zoveelste knock-out-zege, halverwege zijn carrière, zeggen: “Ik wilde eigenlijk zijn neus dwars door zijn hersens slaan.”

Maar Tyson, zo bleek in deze film, is óók een onzekere, bange, paranoïde man, een leven lang vertwijfeld op zoek naar vader- en moederfiguren die zijn ouderloze jeugd moeten compenseren. De documentaristen hadden een oud filmpje bemachtigd, uit het begin van Tysons carrière. Hij versloeg toen al aan de lopende band leeftijdgenoten, maar tijdens de Olympische jeugspelen werd het hem opeens angstig te moede.

Kort voor het begin van een partij stort hij in. We zien hem snikken (“Ik kan het niet”) tegen de schouder van zijn coach die hem alleen met de grootste moeite tot bedaren krijgt. Dat is een moment dat meer topsporters zullen herkennen. Ruud Gullit had, vermoed ik, ook zo'n moment, maar helaas had hij de verkeerde adviseur in de buurt: die rare Ted Troost, de Mefisto van de Nederlandse topsport. (Zie verder onder de 'l' van labiliteit en de 'k' van Krajicek.)

Tyson werd er bovenop geholpen door zijn coach, maar hij bleek het uiteindelijk toch niet te redden. Toen zijn oude trainer en diens vrouw wegvielen, kwam hij in verkeerde handen terecht. Vrouw, schoonmoeder, manager (Don King, een soort Troost in het kwadraat), iedereen was op zijn geld en status uit.

Een sportjournalist vertelt in de film dat Tyson - hij was toen al wereldkampioen - tijdens een interview plotseling in tranen uitbarstte. “Geld, geld, geld, daar gaat het nog alleen om”, huilde hij. Aardige bijzonderheid: hij vergoot zijn tranen aan de borst van deze journalist, die na afloop zijn kletsnatte bloes moest verwisselen. Daar steekt het kusje voor Gullit nog schril tegen af.

Het knappe van de documentaire was ook dat ze een ander licht liet schijnen op de verkrachtingszaak waarvoor Tyson sinds 1992 in de gevangenis zit. In diverse publikaties is destijds de indruk gewekt, dat Tyson het slachtoffer was geworden van een op zijn geld azende groupie. Maar de film maakte aannemelijk dat Desirée Washington een nogal provinciaals schoonheidskoninginnetje van achttien jaar was, toen ze door Tyson gepaaid werd met de belofte van een uitgaansavond met veel beroemdheden. Zelf zat ze niet in de film, wèl haar vader die het bange vermoeden uitsprak dat ze er niet meer bovenop zou komen: “Ik krijg mijn meisje nooit meer terug.”

Tyson is, zo bleek uit de film, nooit te vertrouwen geweest in het contact met vrouwen. Het kostte hem als jonge bokser al zijn relatie met zijn eerste coach, die geen affaires wilde van zijn pupil met veel te jonge meisjes. Toen hij eenmaal beroemd was, greep hij naar al het vrouwelijke dat hem voor de voeten kwam - en dat was veel. Een journaliste vertelde hoe hij haar, obsceniteiten in het Spaans roepend, bij de borsten greep toen ze om een interview vroeg.

Zo'n documentaire is het produkt van journalistieke speurzin en artistiek compositievermogen. Op de Nederlandse televisie een zeldzame combinatie. Een dag later zagen we bij de VPRO de documentaire van Hans Fels over de Britse ex-diplomaat Fitzroy MacLean in Joegoslavië. Oók prachtig, maar op een heel andere manier: een lyrische film in de beste traditie van Diogenes.

Bij Diogenes maken ze literatuur, bij de BBC houden ze meer van journalistiek.