Leiders China vertrouwen het nog lang niet

PEKING, 4 JUNI. Voor het vijfde achtereenvolgende jaar blijkt de eerste week van juni de gevoeligste periode van de Chinese politieke kalender omdat in die week de verjaardag valt van de bloedige onderdrukking van de vreedzame protestbeweging in de nacht van 3 op 4 juni 1989. Dit jaar heerst er zelfs een veel acutere alarmstemming dan in voorgaande jaren, omdat achter de façade van het economische succes van de laatste jaren potentieel explosieve sociale problemen zich scherper aftekenen.

President en partijleider Jing Zemin verdedigde onlangs de “vastberaden” militaire maatregelen en zei dat China zonder die maatregelen niet de stabiliteit en welvaart zou genieten die het nu kent. Maar het economische succes heeft de Chinese leiders geen nieuw zelfvertrouwen gegeven - nee, het succes heeft het alleen maar verder aan het wankelen gebracht. Het moet immers niet op het conto van de staat worden geschreven en nog minder op dat van de partij, maar allereerst op dat van het Chinese volk dat de vrijheid om geld te verdienen herwonnen heeft en de strijd voor politieke vrijheid op de lange baan heeft geschoven.

Bij alle regeringsorganen, in het militaire apparaat en bij de politie is voor tien dagen de 'staat van verhoogde waakzaamheid eerste klas' uitgeroepen, één graad minder dan de staat van beleg. In alle regeringsdiensten worden 24 uurs-piketdiensten uitgevoerd. Bij alle faxapparaten staan veiligheidsagenten die faxen uit het buitenland onmiddellijk moeten rapporteren. 's Avonds zijn er wegversperringen waar auto's worden doorzocht. Samenscholingen en zelfs verjaardagsfeestjes met meer dan een paar mensen zijn verboden. Chinezen bellen op dat er in alle voorsteden legereenheden klaar staan, maar niemand heeft ze zelf gezien. Een professor in de rechten die veel heeft gepubliceerd over de rechten van de mens - in tijdschriften in Hongkong en Taiwan - zei telefonisch dat zijn huis 24 uur per dag wordt bewaakt door vijf agenten. Mensen die hem willen opzoeken worden aangehouden, moeten zich laten registreren en worden dan weggestuurd. Als hij zelf de deur uit wil, wordt hij door twee agenten gevolgd en als iemand hem op straat aanspreekt, springt er meteen een agent tussen.

Als er op CNN een onderwerp over China wordt uitgezonden met beelden van 1989, wordt onmiddellijk de satelliet uitgeschakeld. Een minuut of tien later wordt krakend de verbinding hersteld. Buitenlandse journalisten en zelfs diplomaten zijn aangehouden. Waarom dit alles? “Ik weet het niet. Ik weet niet of ze ongegrond paranoïde zijn of specifieke informatie hebben dat er echt iets dreigt”, zegt een ambtenaar van een regeringsinstantie. “Hoe lang kan een regering doorgaan om met machtsvertoon, militaire dreigementen, politie-intimidatie en zware censuur huis te houden? Hoe langer de totale intolerantie van enige kritiek of oppositie duurt, des te gevaarlijker wordt het.” Voor de beweging in 1989 waren er politieke discussiesalons en levendige kranten, zegt hij, nu worden zelfs eerbare petitie-bewegingen onderdrukt. Hij meent dat als er nu politieke hervormingen zouden komen en verkiezingen zouden worden gehouden de communistische partij waarschijnlijk nog altijd zestig procent van de stemmen zou halen, de Kwomintang dertig en die acht splinterpartijtjes (eveneens van vóór 1949) de rest. “Maar dit regime wordt geobsedeerd door absolute, totale macht”, aldus deze hoofdambtenaar.

De preventieve 'overkill' staat in geen verhouding tot wat er echt aan de hand is. Want behalve een overvloed aan politie op straat gebeurt er niets. Wang Dan, één van de topleiders op het Plein in 1989 die na vier jaar van zijn straf te hebben uitgezeten vorig jaar werd vrijgelaten, heeft op 26 mei een open brief aan het Nationale Volkscongres, volgens de grondwet het hoogste orgaan van staatsmacht, gestuurd met het verzoek de beweging van 1989 te herwaarderen als “vreedzaam, patriottisch en redelijk”. “Wij geloven dat de kwalificatie (van de beweging) door de regering als oproer en contrarevolutionaire rebellie onredelijk is en herzien behoort te worden.” De brief doet verder een beroep op het congres om alle politieke gevangenen die naar aanleiding van de gebeurtenissen van 1989 zijn vastgezet, vrij te laten en de familieleden van slachtoffers van 1989 medeleven te betuigen en compensatie te geven.

Inwilliging van deze verzoeken is ondenkbaar zolang Deng Xiaoping leeft en Li Peng aan de macht is. De Chinese regering beloofde in 1989 dat er te zijner tijd een lijst van slachtoffers zou worden gepubliceerd, maar Li Tang zei in 1991 dat het ongewenst was om een dodenlijst te publiceren omdat het een “contrarevolutionaire rebellie” was en nabestaanden achteraf geen repercussies wensten wegens banden met contrarevolutionairen.

De droevige situatie van de nabestaanden wordt gesymboliseerd door het professorenechtpaar Jiang Peikun en Ding Zilin. Hun 17-jarige zoon Jiang Jielian werd tijdens de nacht van het geweld door een mitrailleursalvo neergemaaid. Het verlies van haar zoon heeft professor Ding gestaald tot een activiste voor de nabestaanden. Ze probeert er achter te komen hoeveel mensen er die nacht nu eigenlijk zijn vermoord. Het officiële Chinese regeringscijfer is 300, “grotendeels soldaten die door contrarevolutionaire bandieten zijn vermoord”. Mevrouw Ding heeft overal formulieren gedistribueerd en de nabestaanden van meer dan honderd slachtoffers opgespoord, maar de meeste mensen zijn te bang om zich te melden. Huizen van talloze nabestaanden worden, evenals dat van professor Ding, zwaar bewaakt, telefoons worden afgesneden. Mevrouw Ding distribueert buitenlandse donaties aan hulpbehoevenden onder de nabestaanden. Enige dagen geleden heeft ze gedreigd dat ze in hongerstaking zal gaan als het getreiter van de politie rondom haar huis niet ophoudt. Ze wil in vrede haar zoon kunnen herdenken.

Amnesty International heeft dezer dagen ook een nieuw rapport met gedetailleerde onthullingen over 75 slachtoffers van de massamoord en over martelingen in Chinese gevangenissen uitgebracht. China heeft het rapport als kwaadaardige laster afgedaan en Amnesty bestempeld als een onbetrouwbare, onverantwoordelijke organisatie die diep bevooroordeeld is over China.

Er heeft zich tot dusver nog geen enkel noemenswaardig incident voorgedaan, maar dat betekent allerminst dat de burgers van Peking de gebeurtenissen op het Plein van de Hemelse Vrede van 1989 vergeten zijn. De acute paranoia van de communistische oligarchie, die uit steeds minder functionarissen bestaat, illustreert dat al genoegzaam.

De gemiddelde student en arbeider zijn op dit moment echter niet meer geïnteresseerd in enige vorm van politieke activiteit. 'Xia hai', je wetteloos en niets ontziend storten in de zee van geld en handel, zal voorlopig nog de Chinese samenleving, die al volledig post-communistisch is, domineren, totdat de chaos zo groot wordt dat er wel een nieuwe orde moet worden geschapen.

“Als ik terugdenk aan 4 juni 1989, dan kookt mijn bloed en zou ik persoonlijk met Li Peng willen afrekenen”, zegt een arbeider die op het trottoir sigaretten staat te verkopen. “Vijf jaar geleden demonstreerden we tegen inflatie en corruptie. De inflatie was toen het ergst. Nu zijn dat de corruptie en het machtsmisbruik door de communisten. Het is niet de moeite waard om radicale actie te ondernemen en daarbij om te komen. De leden van de partij zullen vroeg of laat zelf met de corrupte partijleiding afrekenen. Daar wachten we op en intussen graaien we zoveel mogelijk geld bij elkaar als we kunnen.”

Als arbeider in een staalfabriek verdiende hij 400 yuan per maand (90 gulden), nu verdient hij als sigarettenhandelaar minimaal 1.000 yuan per maand (225 gulden), genoeg om de voortdurende prijsverhogingen te kunnen doorstaan.