Kerk en shoa

Het artikel 'In Vaticaan blijft weerstand tegen dialoog met joden groot' (NRC Handelsblad, 28 mei) vat mijn woorden zó samen dat de indruk ontstaat dat de officiële kerk in de Middeleeuwen de joden vogelvrij verklaard heeft, dat het leven van joodse mensen volgens de kerk geen principiële bescherming genoot.

Dat is onjuist. Wat ik gezegd heb, is het volgende. Vanaf Augustinus (4e eeuw) tot in de moderne tijd heeft de officiële kerk het standpunt ingenomen dat het christenvolk zich niet aan de joden mocht vergrijpen. Dat was niet alleen een kwestie van humaniteit, maar werd ook theologisch gemotiveerd. Het voltrekken van het uiteindelijke oordeel kwam alleen aan God toe. Bovendien zou door het ontnemen van hun aardse leven aan de joden ook de kans worden ontnomen om zich tot Christus te bekeren en zo het eeuwige leven te verkrijgen. Deze principiële bescherming heeft in de praktijk vaak gefaald, omdat zij werd ondermijnd door de anti-joodse prediking van de kerk, terwijl de pogroms vanaf de Kruistochten achteraf theologisch min of meer werden gelegitimeerd door de joden ervan te beschuldigen de vijanden van de christenen te zijn (de mythen van hostieschending, rituele moord op christenkinderen, verspreiding van de pest, etcetera). Dit vijandsbeeld en (sommige van) deze mythen zijn enerzijds opgenomen in de Nazi-propaganda en hebben anderzijds katholieken ongevoelig gemaakt voor de gevaren van het antisemitisme. Het nieuwe van de katholieke leer sinds 1965 is dus niet dat (joods) leven principieel bescherming verdient, maar dat dit vijandbeeld en deze mythen door de kerk worden afgewezen. Het nieuwe van het rapport ter voorbereiding van een Vaticaans document getiteld 'Antisemitisme, Shoa en de Kerk' (fragmenten in NRC Handelsblad, 28 mei) is dat dit rapport onomwonden spreekt van de medeverantwoordelijkheid en schuld van wereldkerk voor de Shoa.