Juh nuh kawm prahng pa

D-Day, invasie in Normandië, van de eerste plannen tot en met de bevrijding van Parijs 224 blz., Standaarduitgeverij/M&P 1994, ƒ 69,90

Stephen Badsey: D-Day, van de Normandische stranden tot de bevrijding van Frankrijk 284 blz., Rebo Productions 1994 (From the Normandy Beaches to the Liberation of France), ƒ 39,95

Het verloop van de Tweede Wereldoorlog mag langzamerhand bekend worden verondersteld. Alle archieven zijn geopend, alle veldslagen geanalyseerd en alle memoires geschreven. Het moet daarom voor de uitgeverijen een hele opgave zijn geweest, nu het een halve eeuw geleden is dat de Geallieerden in Normandië landden, geen platgetreden paden te bewandelen. Gelegenheidsuitgaven over de grote strategische lijnen, over het hoe en waarom van de invasie, zijn dun gezaaid op de D-day-planken in de boekwinkels. Die liggen nog van tien en twintig jaar geleden in de ramsj. De uitgeverijen hebben vooral hun toevlucht gezocht tot het aandragen van meer en curieuzere details.

De twee hier besproken boeken zijn exemplarisch voor deze aanpak. Ze laten zien dat de meer triviale details van de gigantische operatie niet per se overbodig of minder interessant hoeven te zijn. Juist het alledaagse maakt de grootste amfibische operatie uit de geschiedenis voorstelbaar. Beide boeken zijn in de eerste plaats overzichtsuitgaven en hebben exact dezelfde opzet. Schematische voorstellingen van de militaire situatie, organogrammen van de bevelstructuren en overzichten van de complete Duitse en geallieerde arsenalen, variërend van kogels tot slagschepen en van landmijnen tot bommenwerpers, waren natuurlijk onvermijdelijk. Vanzelfsprekend hebben de redacties nog een keer het foto-archief van Robert Capa doorgespit en de cliché-beelden voor herhaling vatbaar bevonden. En waarschijnlijk hebben ze weer Capa's assistent vervloekt, die twee op D-Day volgeschoten films tijdens het ontwikkelen verknoeide. De voorwoorden zijn van respectievelijk ene John S.D. Eisenhower en van Winston S. Churchill, een kleinzoon.

Het genoemde ongebruikelijke materiaal is afkomstig van allerlei musea die aan de landingen zijn gewijd, en van enkele privé-collecties. De eerste categorie curiosa bestaat uit de persoonlijke bezittingen van de gewone manschappen. Het D-Day Museum en het Royal Marines Museum, allebei gevestigd in het Engelse Portsmouth, hebben bijvoorbeeld hun verzameling treurige Duitse papieren bij elkaar gelegd: in de duinen gevonden verlofpassen, trouwringen en nooit verstuurde liefdesbrieven.

Maar persoonlijke eigendommen zijn er niet uitsluitend van naamloze soldaten. Ook de bekende generaals hebben blijkbaar hun hele hebben en houden uit die tijd aan musea en instituten geschonken. De Eisenhower Library is in het bezit van Ike's zilveren Cartier sigaretten-koker en zijn lederen kaartenkoffer. Het Parijse Musée de l'Ordre de la Liberation heeft het officierszwaard van de Duitse generaal Von Choltitz in de collectie, benevens het briefje waarmee hij zijn bezettingstroepen in de Franse hoofdstad op 25 augustus de opdracht gaf het vuren te staken. En dank zij het Patton Museum weten we dat deze snoeverige generaal niet alleen pistolen droeg met paarlemoeren kolven, maar ook bretels met afbeeldingen van blote meisjes.

Een andere categorie omvat de attributen die weliswaar niet spectaculair zijn te noemen, maar voor het slagen van de landingen toch noodzakelijk waren. Zo hadden de geallieerde troepen invasie-valuta gekregen om het Duitse bezettingsgeld te vervangen. Ook droegen ze handige woordenboekjes op zak. De Britse soldaat die van de gevechten dorst had gekregen, kon met het boekje in de hand bij een Franse boerderij aankloppen en voorlezen: 'jay swaf'. Amerikaanse GI's leerden onder andere 'juh nuh kawm prahng pa'.

Het vernuft van de Geallieerden, zoals dat zich liet gelden bij het bedenken van gespecialiseerde rupsvoertuigen en misleidingsoperaties, is ook terug te vinden op het niveau van hun individuele uitrustingen. De Amerikaanse bemanningen van bommenwerpers droegen laarzen waarvan het onderste deel op een burgerschoen leek. Wanneer ze boven vijandelijk gebied werden neergeschoten kon de bovenkant van de laars eenvoudig worden afgesneden, zodat hun schoeisel de vliegers in ieder geval niet zou verraden. Een ander voorbeeld van vindingrijkheid is de 'cricket', het speelgoed dat het geluid maakt van een krekel. Hiermee konden verdwaalde Amerikaanse luchtlandingstroepen elkaar in de duisternis terugvinden.

Van het Musée Mémorial in het Normandische Bayeux komen de Duitse en Amerikaanse medische uitrustingen. In alletwee zitten injecties tegen gifgas - die overbodig zouden blijken - maar ook een test voor venerische ziekten, ondanks de condooms in de standaarduitrusting, en een zalf tegen insektebeten. Ook aan insignes, medailles, wapenschildjes en epauletten is in geen van beide boeken gebrek. De mouwemblemen van Georgiërs, Azeri's en Centraalaziaten in Duitse dienst zijn echte curiosa.

Het eerstgenoemde boek is aanmerkelijk beter verzorgd dan het tweede. Daarbij komt dat in het tweede boek vele termen vertaald zijn die beter onvertaald hadden kunnen blijven. Zo heet de Royal Navy steeds de Koninklijke Marine, het Britse 'Universal Carrier' pantservoertuig heet consequent 'universeel vervoermiddel' en de Amerikaanse 'halftrack' krijgt hier de vertaling 'halfrupstrekker'. Eveneens storend aan dit tweede boek is het hier en daar overbodig snorkerige taalgebruik. Een bijschrift onder een foto van een Duitse soldaat luidt: “Met het (sic) bajonet op het geweer staat één van Hitlers 'Arische Übermenschen' klaar om de nazi-leer kracht bij te zetten.” Zo'n tekst is niet van deze tijd. Eerder die van vijftig jaar geleden.