Jeukende guldens

Een lezer wil in augustus vorig jaar een half miljoen gulden beleggen in aandelen, daarbij risico lopen, opties gebruiken, onbelaste koerswinst en rendement behalen en actief beheren. Voor de opbouw van zo'n portefeuille moet je de tijd nemen, dat begrijpt hij goed.

Hij krijgt de suggestie iets te doen met Akzo (koers 179,50), Koninklijke Olie (187,40), KLM (36,40), Philips (36.00) en Unilever (186,90). In die maand zetten de beurzen voortdurend nieuwe records. De Amsterdamse index doet 353,38, 11 procent onder de huidige stand van circa 400 en 28 procent onder de top 438,71, op 31 januari 1994. Achteraf had je in augustus zonder na te denken aandelen moeten kopen.

Toen was het veronderstelde beursvooruitzicht: eerst, na die records, een correctie en daarna verder omhoog. Een strategie kan zijn goedkoop lange put-opties met een duur van drie tot vier jaar te kopen en tijdens de correctie de aandelen. Zo zijn de stukken voor een redelijke prijs tegen koersdaling beschermd, verzekerd.

De briefschrijver koopt voor 31 duizend gulden lange puts op Akzo (5 contracten), Koninklijke Olie (5), Philips (20) en Unilever (5). De klemmen halen de limiet niet en worden niet gekocht. Dat gemis wordt niet hersteld.

De correctie blijft helaas uit, de koersen blijven stijgen. Eind januari wordt de put-man ongeduldig: de beurs gaat verder omhoog en hij meent de boot te missen. De guldens jeuken hem in de zak. Hij neemt zich voor bij een dip van ongeveer tien procent zijn portefeuille aan te vullen. De rente zal immers verder dalen en de beursindex kan met gemak naar 500, zegt de man van de bank volgens de instructies van zijn baas.

In maart bevrijdt de belegger het ongeduldige geld en slaat opgelucht zijn slag voor 150 duizend gulden. En nu weer vooruit met de geit! Maar beurzen en economische variabelen lijken zelfs voor kenners een eigen leven te leiden. De fut is er uit. Binnen de strategie - internationale aandelen met de uitoefenprijs van de gekochte lange puts als bodem voor drie of meer jaar - geen reden om te nachtmerrieën. Op dit punt houdt de belegger zich niet aan zijn voornemen: hij koopt fondsen die niet zijn gedekt door eerder gekochte puts. Nu, bij de dalende koersen, besluipt hem de twijfel.

In portefeuille zitten 257 aandelen Aegon (gekocht op 98,00), 1000 Ahold (45,00), 150 Elsevier (181,80), 250 ING (76,00), 200 Unilever (215,80), 150 VNU (181,60) en 250 Wolters Kluwer (115,10). Bij de opzet is voor 25 duizend gulden per bedrijf gekocht, behalve Ahold en Unilever die dubbel meetellen. Intussen zijn de lange puts Olie en Unilever met winst verkocht. Hoe nu verder?

Daarvoor moet je een mening hebben over de beurs. Gisteren brak de zon weer door en trokken de koersen licht aan. Wanneer dat zo blijft, ziet het er goed uit voor de genoemde aandelen. Je wacht rustig af tot de koersen flink aantrekken en kijkt dan naar bescherming of extra rendement, via constructies met put- en call-opties.

Op de fondsen, behalve VNU en Wolters, zijn lange opties in de notering. Een voordeel voor iemand die actief in opties wil doen. Niemand weet of de beurs echt omhoog zal gaan, bovendien hoeven bepaalde aandelen niet mee te doen in een hausse.

Ahold is zo'n achterblijver en kwakkelaar, maar doet nu goed: van 45 naar 47,60 gulden. Een bescherming tegen koersdaling lijkt op dit niveau niet urgent. Het magere dividendrendement van 2,2 procent kan (onbelast) worden opgekrikt door op 500 aandelen 5 calls januari 50 of 52,50 te schrijven, mits er na de aftrek van kosten nog wat overblijft.

De uitgevers Elsevier (min 17,50) en VNU (min 13,90) zijn wat gedaald. Door op de eerste call 1 oktober 1996 uitoefenprijs 170 gulden te schrijven, ontvangt de belegger 2700 gulden als een soort bescherming. Voor 300 aandelen VNU en Elsevier samen per stuk 9 gulden; 2700 gedeeld door 300. Naar boven blijft er voldoende potentieel over: VNU 150 aandelen en Elsevier 50. Met ook nog 250 aandelen Wolters Kluwer (van 115 naar 111) zijn de uitgevers (te) sterk vertegenwoordigd. Een of twee lijken voldoende. Omruilen voor een bedrijf uit een geheel andere sector maakt het geheel evenwichtiger.

En de 200 stuks Unilever van 215,80 naar 192,00? De laagste koers in 1993 is 184,10 en dit jaar (tot nu toe) 188,00. Die 192,00 nadert de bodem, zeker vergeleken bij de top van 236 gulden op 8 februari 1994. Een reden om niets te doen.

Aegon (van 98,00 naar 96,00) en ING (van 76 naar 77,20) doen het niet slecht. Schrijven van call-opties levert thans weinig op. Misschien iets voor later bij hogere koersen.

Per saldo is er weinig reden om ongerust te zijn. Jammer dat de in augustus 1993 gekozen strategie niet is doorgezet. Het optimaal combineren van aandelen en opties is met deze opbouw niet goed mogelijk.